Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

Maris schudde het hoofd:

— De zoon van Vlaanderen heeft zijn lied nog niet uitgezongen. ...

— Meester, sprak Dries, mag een arme jongen lijk ik u de hand drukken?

Hij die tot de menigte sprak, hij vond niets anders te zeggen. Als hij in zijne hand de hand van Maris voelde, begon hij te snikken lijk een kind. Een klein vischken was op zijn telloor blijven liggen.

De regen kwam nu kijken door de ruiten. De goede Maris vertelde een historie uit zijn jonge jaren. Eens was hij mee met de visschers in zee gevaren: tien dagen lang bracht hij door op het schip. Alle nachten zongen de zee-vrouwkes. Hij had wel geerne met hun willen neerdalen in hun smaragden paleizen.

Mamie herinnerde zich niet hem ooit deze geschiedenis te hebben hooren vertellen. Ze glimlachte om de schoonheid ervan. Allen zwegen vroom. De avond viel vroeger dan anders. Dries was verplicht aan zijn terugtocht te peinzen; op den dorpel nam hij Mamie heure hand en sprak:

— Mamie! 'k Was gekomen om u iets te zeggen, maar 't is nu weeral een keer te laat. 't Is beter een ander ©ogenblik af te wachten.

Hij was beschaamd zich zoo'n armen mensch te voelen. Hij stak den boogaerd door en dan bleef hij daar nog een wijle staan, roerloos, kijkend naar de lamp die achter de keukenvensters ontstoken werd, lijk de lichte vlam uit een lanteernken vóór een Onze-Lieve-Vrouw-Kapel.

XVI.

't Was Zondag op den buiten. Na het lof had men naar de wip geschoten in den meersch t' ende het dorp. Maar de wind blies; de pijlen zwenkten allemaal rechts af. Zelfs de koning, de oude Carafa, had niets goeds gedaan. Men was dus maar in de herbergen gestapt om er pintjes te pakken. Dries, Keukelaere, Goliath en eenige anderen, hadden bol gespeeld in Dan Gedraaiden Haan. En daarop was

Sluiten