Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

de maand van Meie. Voor hen baarden de moeders hunne kinderen. De twee kasteelen waren gegrondvest in 't gebeente van vele geslachten, Dries zong vroolijk: 'k Nam de klare zeis van 't leven, 'k Nam de zwarte van den dood. En lijk de steen op 't metaal ketst, wierp hem een stem van dichtbij het refrein terug: Kling, klang!

— Guide! riep hij.

Zijn hand zocht die van den broer.

— Begod, begod! loeide de andere, 'k Ben een ezel. 'k Dacht dat ik hem vast had. Hij zal den anderen kant zijn uit gegaan.

Hij gaf zijn eigen stompen in de borst. Zijn leed vertrok zijn kluchtspelers-gezicht lijk op de avonden als hij de rhetorijkers van De Pioene deed schaterlachen. Hij speekte, ronkte, siste van koleire. Eindelijk kwamen de woorden, doorknauwd van vloeken lijk een Vlaming dat kan. Voske Feijnaerts, de zoon van den koster, had 't gerucht rondgestrooid dat de huismeester besloten had aan Barbara Smets heur huizeken op te zeggen als hij, Guide Keukelaere, er nog bleef komen. En 't ongeluk wilde dat Barbara op SinteMertens-dag de huur niet had kunnen betalen. Het oudje, in heuren potstoel, deed niets dan klagen en de holten van heur doode oogen waren diep ingezonken onder de stijve wimpers. Dezen Zondag nu was hij Voske Fijnaerts aan 't opzoeken: men had hem naar de wip zien schieten en daarna was hij gaan bollen. Rond den vijven was hij bij de dikke Zara in De Korenbloem binnen getrokken en 't was nu pas, in den avond, dat Guide hem zag buiten komen uit De Drie Koningen. De schelm had zijn beenen echter onder de armen genomen. Guide peinsde dat hij door den meersch was weggevlucht.

Dries zag seffens klaar, verkende er de hand van de de Quasts achter. Ze wilden den vriend door den vriend raken, treffen in 't herte die men bij den kop niet vangen kon.

Een wijle bleven ze op den weg staan, met in de ziel de koude van dezen triestigen Zondag-avond, Plots, met

Sluiten