Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

glijden in een heerlijke verdooving, zonder kracht om recht te staan. Achter hem ronkte de molen. Booten vaarden voorbij. Soms was het de vrouw die barrevoets, met de lijn rond de schouders, het schip voorttrok. Al de kleine boerkens werkten in de rapenvelden. De bijen haastten zich om hun winterprovisie binnen te hebben. Dries moest toegeven dat er voor een mannemensch iets beters te doen was, dan te zitten kijken naar 't vloeien van 't water en 't waaien van den wind. Hij dacht aan Mamie, aan al de kleine stapkens die ze in heur bedrijvige vreugde 't een na 't ander neerzette, loopend van de keuken naar den groenselhof, doende heur werk van huishoudster en van moederke als de bij en de mier. Weer eens steeg het vage dingskens in zijn gedacht, een licht verwijt als een nevelvlok over de haag. Eigenlijk, sprak hij tot zijn eigen, is 't nog tijd genoeg te peinzen aan 't een of 't ander werk als de winter er zal zijn. Hij wist nog niet wat het wezen kon. Hij wachtte tot zijn zomerziel verveld was.

't Gebeurde ook dat hij eenige pijpkes ging zitten smoren vóór de korven van Dolf Barthe. De bijkens draaien, hommelden als gouden molekens in de rosse lucht. Hij ging met Potie den draaier, bij het nevelige venster dat een grijs licht in 't werkhuis binnen liet, een klapken slaan. De draaischijf ronkte, de familie der kleine groene potjes stond in lange reesems gerijd naast de groote, bruine of grijze boterpotten. Vandaar trok hij eens naar Goliath die te hameren stond aan zijn aambeeld of aan zijn blaasbalg trok. Guide draaide koord in zijnen hof. Het leven in 't dorp was zoet als 't seizoen zelf. De kleine kinderen zongen de liekens van Maris of gingen lachen samen met de eendjes onder de zilveren wilgen. Hun wangen, onder hun vlasharen, waren zoo dik als de appelen waarin ze beten.

Dries zag geerne de laatste kudden overzwemmen bij den Reiger. Breede vlaaien bestemden den hollen weg. Hij liep door den boogaerd, knuppelde een okkernoot neer of plukte in 't voorbijgaan een appel. Kokx kwam daar zitten uitschilderen de vooroverhangende, laag^bestroodakte schuur met de strooimijt er naast en 't varkens-kot bij 't ovenhuis. i 2

Sluiten