Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

ellende rillen in de kamers. En almaardoor viel de regen of de sneeuw en de kleine snik van den tiktak.

Dries beet op zijn lippen om zijn tranen tegen te houden en zijn pannekoeken kwamen een beetje terug.

— Ach, Baezen, zei hij, 't is 't hart der Vlaanders zelf, dat klopt in u. Ja! Maris en gij, gij zijt het levende hart van Vlaanderen.

Hij antwoordde eenvoudig weg:

— Daar komt zoon arm volk in onzen winkel! Ze steken hun bleeke handen uit over den toog, met hun povere centen er in. Een cent dat is als een beetje van hun bloed. Men moet dat zoo maar eens even bekijken.

En daarop zeeg de stilte weer neer. De avond kwam reeds aan t' ende van den hof. Anna had het zinksel uit den pot geschrabd en bakte het op voor de kleine kinderkens uit de buurt. De plafoneerder en de schoenmaker waren gekomen, 't Was in de verte nog familie van de Abeelsen: ze sloegen geeneenen hoogdag over in 't jaar. Die ook, gezeten aan een hoek van de tafel in de keuken, kregen 't laatste van 't beslag. Ze lieten boeren lijk koningen. Joziene Abeels zelf schonk hun bier. De avond viel. 't Werd triestig zooals 't altijd was op Allerzielen-avond. In al de dorpen begonnen de doodsklokken te luiden. Aan de breede zwaaien herkende men de meestér-klokluiders. De kruisen kwamen aiover de muren van 't kerkhof luisteren. Alle drie kregen ze een dorst lijk van een hoogzaalzanger. Ze deden den toer der herbergen op 't dorpsplein. Dries was ineens zeer triestig. Dolf zei hem:

— Dries, 'k was gekomen om u te vragen of ge niet mee met mij naar ginder zoudt gaan. 'k Was 't bijna heelemaal vergeten. Ge weet 't is nu de tijd van 't jaar dat moeder me op reis stuurt om onze pot-klanten te bezoeken.

Dries Abeels sloeg het niet af. 't Was weer een keer een gelegenheid om niets te doen.

(Wordt vervolgd).

Sluiten