Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN JÜDITH.

Zomeren veel beter was, maar nog eenige dagen rusten moest. Het was een beroerte geweest en die kon zich natuurlijk herhalen.

„Komt het ervan, dat hij zich zoo opwindt?" vroeg tante.

„Dat ook natuurlijk," zei de dokter, „maar hij heeft er aanleg voor. Zoover ik zien kan, heeft hij er niets uit gehouden; en dat is al heel wat. Krijgt hij nog een aanval, dan zou het wel eens niet zoo goed met hem kunnen afloopen.

Hij keek Cathrien oplettend aan.

„En hoe gaat het met de jonge dame?"

„Goed, dokter," zei Cathrien.

„Ja, dat zeggen ze allemaal. Laat je pols maar eens voelen. Hoe heet je?" „Cathrien, dokter."

„Zoo. Nu, Cathrien, je mankeert niets, maar je bent niet sterk. Veel in de lucht maar!"

„Ja, dokter," zei tante, „daarvoor is ze hier."

De dokter stond op, gaf nicht Adolphien de hand, en ook Cathrien. Tante liet hem uit. In de gang zei hij tot haar:

„Aardig voor U, zoon jong ding om U heen. Maar wat een verstandige oogen."

Oom bleef nog drie dagen te bed, en liet zich bedienen. Naar Cathrien vroeg hij niet, en zij hervatte den tweeden dag haar buitenleven. Zij wist zelfs nicht een keer mee te troonen, maar de ziel was een slecht wandelaarster. Misschien geneerde zij zich ook over haar kleêren; zij zag er hopeloos ouderwetsch uit. Oom wou nooit dat er iets nieuws gekocht werd. Van Adolphien hoorde het kind, dat oom „in proces lag" en dat dit veel geld kostte.

De oude man kwam Vrijdags weer beneden. Zijn humeur was er niets op verbeterd en Cathrien voelde in zijn aanwezigheid haar vijandschap groeien. Zij had niet meer van weggaan gesproken, nadat tante, toen zij er op gezinspeeld had, was gaan huilen. Het goede mensch was zich aan het nichtje gaan hechten, vooral in de laatste dagen. Maar oom

Sluiten