Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122

BEN JUDITH.

brief en deed dien bij hem in de bus. Zij was niet met sensatie-romans of met de bioscoop opgegroeid, en de brief was bijna zakelijk:

Mijnheer de dokter!

U zult wel verwonderd opkijken een brief van mij te ontvangen. Maar ik moet U vertellen, dat mijn oom, de heer Pieter van Zomeren, in de grot gestorven is, en dat is mijn schuld. Want hij wou met alle geweld met mij mee,, en toen hij er in was, kreeg hij een beroerte. Toen had ik moeten vertellen dat hij daar was, maar ik hield mijn mond, ik weet niet waarom, maar ik schaamde me en dacht dat hij dood was. Maar hij was niet dadelijk doodgegaan, toen ik kwam kijken, want hij had lucifers aangestoken. En toen had ik spijt, maar ik hoopte dat hij toch wel gestorven zou zijn en ik had een hekel aan hem. Daarom zult u mij wel slecht vinden, omdat u hem genezen wou, maar het was een nare man en ik wilde er niet aan denken, ook om tante en nicht. En ik hoop maar, dat hij toch wel gestorven zou zijn, en dat God het mij vergeven zal.

Hoogachtend,

CATHRIEN MEERMAN.

Indien de dokter een gewoon mensch was geweest, zou deze bekentenis hem in groote moeilijkheden hebben gebracht. Moet men het geweten, als het zich toch al met bedenkelijke vaagheid aanmeldt (een berouw met menigen slag om den arm) helpen versmoren? Moet men het bijvallen, in reliëf brengen, en een wroeging doen ontstaan, die op een geheel leven drukken kan? Bij geluk was de dokter theosoof, en hij zond een boekje.

Hamlet zag den dood het liefst als een eeuwigen slaap, maar de meesten onzer, niet zoo verbijsterend ongelukkig, hangen aan het bewustzijn, en verkiezen zelfs een niet te ondragelijke hel. Als Cathrien zich oom dood dacht, — dikwijls dacht zij aan hem, levend of dood — schrok zij voor de verantwoordelijkheid van een door haar veroor-

Sluiten