Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

WIND OP DE MOLENS.

tenzij soms dat van den reiger die voorbijvloog met zijn bekgeknirs als van een schaar.

Dries amuzeerde er zijn eigen mee het net zien op te halen met de dikke en fijne palinglinten erin, kronkelend rond het aas. Hij pakte ze dan met zijn slijmerige handen vast en trok ze los met een kort snoksken, geeneen ervan ontsnapte hem: ze gingen mee krioelen met de anderen in een vierkanten mand. Hij lachte aldoor zijn voldanen snoek-lach, en de eene kaak na de andere zwol van dé tabakspruim. En daarop haakte hij weer wat stukskens vleesch vast. Dries dacht: ik ben het arme visscherken van het evangelie, visschend met waarheden naar zielen. En hij zuchtte en sprak tot het oude ventje dat hem niet verstond:

— Ziet ge, iedereen is niet zoo gelukkig als gij. Bij eiken ophaal vangt ge ze met dozijnen, »

En dan roeide het paling-ventje weer eens wat verder. De reiger vloog naar de rivier of naar zijn hoog nest in het bosch, 't Gebeurde dat hij wachtte tot het oudje weg was om er op zijne beurt gaan te visschen; zijn pooten stonden diep in 't water en zijn bek stond gereed om te pikken als de paling beet. Die twee waren ook een oud, oud koppel vrienden. De nacht zeeg daarop neer; het regende weer een beetje harder.

XX.

Op een schoonen morgen waren Dries en Dolf Barthe afgereisd. Ze hadden een goeie overjas aan en een sohuiler onder den arm. Dries had zijn heel leven lang nog geen gelegenheid laten voorbijgaan om zijn eigen te amuseeren. De zoon van den koordedraaier had hem beloofd zijn duiven komen te verzorgen tijdens zijn afwezigheid.

Pijpen smorend kwamen ze aan in de groote stand van Gent. Ze liepen langs kanalen, gingen voorbij het Belfort, draaiden het toreken om vanwaar Artevelde tot het volk sprak. Dries trok feller aan zijn pijp en er bruischte een warmte van bloed door zijn Vlaamsch herte. Vogelenzang ruischte open. Ze keken in de lucht: de vogelkens van

Sluiten