Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158

WIND OP DE MOLENS.

Zuster-Maria-ter-Egelen reikte hun heur bewijwaterde vingertoppen. Machinaal baden ze een vaderons. Van den kant der stoelen hoorde men, in den ijver van 't gebed, speekselblaaskens openbarsten. Fluisterend beleed zij hun dat ze een kosteres se der kerk hoopte te worden.

— De complimenten aan moeder, aan matant, aan alleman .... Dries, 'k zal voor u bidden.

— Ja, Zuster, 'k heb dat wel noodig.

En een groote dorst kwam op in hem uit oorzake van den wrangen wierookgeur. Allebei voelden ze hun ziel verweekt en versch, zwaar van goeie intenties als de kappen onder de strijkijzers. Buiten heerschte nog steeds 't eendere regen-getik. Een ziek licht pinkte achter de doffe glazen der straatlantaarns, die een kap van rossen nevel droegen. De vensters der winkels treurden mat achter den damp en ze waren bestreept met regendraden, die smolten al naar gelang ze lager liepen. De plassen tusschen de straatkeien donkerden zwart, met erin een gouden bevenden visch.

Regelmatig, aiover de daken streek de vlaag van den beiaard neer, heesch verkoperend een arm, oud Vlaamsch Heken dat de moeders van eertijds, die in den avond bij hun pierken zaten te naaien, ook tegen hun vensters hadden hooren klinken als een vogel die binnen wou. Dat alles was zoo ouderwetsch, in dezen fijnen mist motregenend uit een onzichtbaren gieter, dat men aan den draai der straten de zieltjes van vroeger meende te hooren klappertanden.

XXI.

Soms zette de trein de twee gezellen af in het druilerig ontwaken van een klein stedeken. De bakker en de kruidenier begonnen pas hun luiken open te doen. Drie honden slopen door de stilte van de markt. De pastoor keerde terug van zijn eerste mis naar de pastorij. Daar was altijd ievers bij het belfort een overdekte markt. Langzaam steeg er uit de huizen koffiereuk samen met de blauwe rookspiralen. De man ging in den hof een pijpke smoren. De

Sluiten