Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK.

Het bouwondernemertje en z'n vrouw en tante Emma en zelfs haar man, die zoo eerzuchtig is en ook den ietwat zonderlingen vader van den bouwer heeft hij de volle maat gegeven, dat wil zeggen, van één kant uit. Ze staan als de figuren in een fresco; men kan om deze menschen niet heen loopen. En zoo moge de karakterteekening naar het gebruikelijke literair respect dan al in orde zijn, er vloeit geen bloed door de aderen en het zwijgen tusschen hun schaarsche gesprekken is eerder vervelend dan tragisch.

Wat treft in dit boek, is de diepe ondertoon van heimwee naar het Goddelijke, dat het hart van den mensch vervullen doet en de vrees voor het verbijsterend besef, dat we in het leven een nuttelooze taak te verrichten zouden hebben. De vader van den bouwer had het kort voor zijn dood al gezegd: ,,Ik weet niet wat dat is bij mij. Maar er zit in mijn hoofd zooiets als een gedachte, dat ik mij veel moeite heb gegeven voor niets". En van haar man zegt tante Emma verderop in het boek: „Mijn echtgenoot is een man der daad: geen enkele kracht laat hij ongebruikt. Welnu, in zijn hart is er nooit bevrediging. Als hij mij al mijn levenslust had laten uitleven, zou ik niet even arm zijn als nu? 't Is alles nutteloos, nutteloos, ziedaar wat mijn opperste wrok tegen mijn man is: „mij tot deze erkenning te hebben gebracht".

„Komen en Gaan" is een boek met fouten en met eigenaardigheden — niet het minst in den stijl — die wij niet waardeeren kunnen, Maar toch zijn we dankbaar dit boek gelezen te hebben. De geest van den dichter die onder het dorre dek van het proza uit Maurice Roelants is, heeft iets wonderlijks laten zien: de hunkering van het hart naar den hemel in de duisternis der middelmatigheid.

JOHAN KONING.

Sluiten