Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEVEN AAN EEN VLIEGENIER.

Van louter zenuwachtigheid kan ik niet schrijven. Stel je eens voor, liefste, dat ik je werkelijk zag! Wat een onzegbaar geluk zou dat zijn voor

Jouw eigen

BETTIE.

28 October.

Lieve Tonny, ik ben weer ierug en daarom ga ik vertellen van mijn reis. Ik heb langs ons huis geloopen, maar het was gesloten. In het hotel waar ik logeerde, vertelden ze mij, dat je ,,en pension" woont. Ook kreeg ik nog te hooren, dat je waarschijnlijk ging trouwen, maar vooreerst nog niet, want je verloofde woonde in het buitenland en haar ouders waren erg tegen een huwelijk tusschen jullie.

Dus, liefste, je leeft alleen, er is niemand die al de kleine dingen voor je doet, die zoo noodig zijn.

Toen ik nu hoorde van die verloofde, ging mijn ziel open van vreugde, en ik dacht: „hij kan Bettie nog niet vergeten, anders had hij een andere vrouw genomen."

Maar nu ik er over nadenk en weet dat je dan ook alle zorgen mist, nu voel ik mij bedroefd en weet niet wat te doen.

Zou ik werkelijk eens één brief aan je schrijven en ook verzenden. Eén klein briefje maar?

Ik durf niet, want, liefste, ik heb je gezien. Gisterenavond, toen ik naar het station ging en één hoopje ellende was, begon ineens mijn hart hevig te bonzen; ik kreeg het benauwd.

En waarlijk, na tien minuten zag ik je aankomen, aan de overzijde van de straat.

Je liep voorover en scheen ernstig te denken; je droeg je pels en o, heerlijkheid, je had de handschoenen aan, die je eens van mij had gekregen. Ik bleef staan; er was iets in mijn beenen, dat ik niet voort kon, ik staarde maar. Ik wilde gillen: „Tonny, Tonny, lieveling, ik ben hier!", maar ik geloof niet dat ik geluid gaf.

Sluiten