Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDE DORPSFIGUREN.

Kleintjes zat ik toen in mijn nieuwe bank te huiveren en of ik naar meester keek of niet, toch zag ik hèm alleen; dien grooten, sterken man. En stijver nog omknelde ik mijn lei, omdat ik bang was geluid te maken.

Het eerste wat tot me doordrong, was een jongen die naast me zat te huilen; hij kwam niet bij de juffrouw vandaan en ik begreep, dat-ie was blijven zitten. Die groote schande deed mij moed vatten om hem te durven vragen:

„Is-ie gemeen?" en 'k wees daarbij met mijn oogen naar meester.

,,'t Is een gemeine rotzak!" huilde die.

„Waarom?" fluisterde ik.

„Hij heit me laten zitten, die vuilik!"

Toen zei ik niks meer, want 'k was opgelucht, dat-ie daarom gemeen was en eindelijk durfde ik mijn lei zachtjes in het kastje te bergen. Die bank, wat zag die eruit, daar hadden ze met zakmessen heele putten in geboord. Er was zelfs één gat, wat in mijn kastje uitkwam, dat was leuk, daar kon ik zoo mijn vinger doorsteken.

Wat waren die jongens toch veel slechter dan ik was, de banken zoo te vernielen; ik had niet eens een zakmes. Bij deze overpeinzingen begon ik me op mijn gemak te gevoelen en om me heen kijkend zag ik weer dezelfde gezichten van het lokaal waar de juffrouw ons geregeerd had en ik vond het nu toch wel echt, dat we niet meer bij haar zaten. Neen, daar werd je nu te groot voor; hè, zoo kinderachtig om bij zoo'n juffrouw te zitten.

Met mijn achterbuurman begon ik zachtjes een praatje te

maken Daar meester echter half in de gang stond,

bleef het niet zoo stil meer, tot opeens een stamp op den

grond en een donderend „Zwijg" ons deed verstijven

Neen, dien middag waren we toch eigenlijk pas goed weer op ons verhaal, toen de torenklok vier slagen deed hooren en we naar huis konden gaan.

III.

Na eenige dagen begon het geheimzinnig booze van

Sluiten