Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OKO EN WANGA.

Toen begon het te schemeren allengs in en rond de hokken. En verre voetstappen, verkaatsend in onbekende ruimten, gingen door het huis, waarop buiten met groote, vergane letters stond — Apenhuis. Overal binnen ging een verstommeld beweeg van traag-rustende apen en hier en daar was er een zacht suizend ademen, soms een geschuifel. Toen was alles ter ruste en Oko en Wanga ook sliepen in. Maar de eerste was ingesoezeld, met een gelukkigen glimlach op zijn klein-rond gezicht.

Wanga was blij tegen een anderen aap — den aap van dien middag — zacht te kunnen aanliggen, vertrouwd-veilig. Want zij was nog wat onrustig door de vreemde omgeving. En toch was zij wel blij, dat Oko dat niet zag.

Met vier pooten schudde Oko den volgenden, heel vroegen morgen hoog aan het traliehek, juichend naar Wanga, die als klein geel-bruin klompje nog kluwig-verdommeld lag in haar hoekje.

— De zon, Wanga, zie je de heerlijke, stralende zon, die ons 't eerst beschijnt, ons, de apen, die zoo hoog uitzien

over alles Zijn schril geluid sidderde ijl door de hard-

steenen en ijzer-met-planken omgeving, waar de apen nog, lusteloos verkijkend soms, neerlagen in de nog rustige hokken.

— De zon, zei Wanga, mat de oogen openende

de zon, waar is de zon? ik kan niet in 't rond zien

zijn dat dan de bosschen daarbuiten die bewegende

schaduwen van groen, die ik ginder zie? laten we gauw

daarheen gaan dan, Oko om de zon te zien, juichte ze.

Is dat dezelfde zon, die ik opgaan zag over de zee aan

de bergen? Kom, dan gaan wij de takken schudden

en springen heel hoog! En zij rekte zich sidderend met

begeerige oogjes, haar staart elegant-rythmisch bewegend.

Toen drukte ze haar neus tegen het hekwerk. — Waar is

dan de zon? Ik zie niets, Oko je heb me bedrogen,

Oko ik zie wel licht, maar geen zon het is toch

alleen maar het morgenlicht, dat je ziet....

— Laten we eerst wat praten, zei Oko verzoenend en hij

Sluiten