Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ HERMAN GORTER'S DOOD

door

E. VAN LIDTH DE JEUDE.

Eén ding is droevig en maakt zacht geklaag Altijd om d' aarde heen, 'n nevel vaag En luchtig om dat lijf : 't is wisseling Van zijn en niet zijn, en dat ieder ding, Zielen en bloemen, drijven naar dat rijk, Waar 't wit en stil is en den dood gelijk.

Maar zooals ik eens aan het strand der zee Was 's avonds, doch niet was mijn hart tevree, Maar bevend en ongerust — en zooals toen Vlak voor den hemel, voor het vermillioen, Een vogel, een zwart beest vloog, duidelijk Gespreid op staart en veer ; daaraan gelijk Komt élk ding en gaat élk ding en is schoon Omdat het eenzaam is.

En in zich voelde zij het laatste : wil, Den allerlaatsten wil der stervenden, Den wil tot doodzijn die het zwervende Menschengeslacht doet stilstaan en hen drijft Van zelve naar den grond waar 't lichaam blijft.

(Uit „Mei")

In deze sombere zonlooze dagen beginnen de bladeren reeds te vallen, en de vroege herfst trekt al over de bosschen, de heide, de plassen van dat Gooi, dat Herman Gorter ook zoo zeer heeft liefgehad.

De wind rukt aan de boomen voor het raam van mijn werkkamer, een enkel blad dwarrelt reeds neer „naar den

Sluiten