Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HONDJE

Het was de eerste maal, dat zij door haar man op ruwen toon werd toegesproken; bij hun vroegere strubbelingen was zijn toon kwetsend geweest door spottend-welwillende superioriteit, niet door ruwheid.

Haar verbazing was niet minder groot dan haar verontwaardiging.

Hij scheen dat te bemerken en verontschuldigde zich plotseling met de gemakkelijke hoffelijkheid van een welopgevoed man:

„Neem mij niet kwalijk, Suus! Ik wilde niet ruw zijn. Maar je air van „Sainte Nitouche" prikkelde mij daartoe!"

„Je ziet dus in.... ?"

,,0 neen, mijn meening blijft precies dezelfde. Ik verontschuldig mij alleen over den vorm!" „Je wantrouwt mij dus?"

„Och, wantrouwen! Maar ik kan natuurlijk geen aanhaligheden van jou met anderen goedkeuren!"

„Met anderen! Met een jongen! Een zieken jongen!"

„Malligheid! Op twee-en-twintig jaar is iedere jongen op dat punt al lang een man! Jij zult er niet verder bij denken! Daarvoor ken ik je wel! Maar die zoogenaamde zieke denkt wèl verder! Daarop verwed ik mijn hoofd!"

„Maar toch begrijp ik niet, waarom je eigenlijk zoo'n drukte maakt. Je hebt mij zelf méér dan eens tot flirten aangezet en...

„Tot flirten! Nu ja! Ik vind het wel aardig, als een vrouw in gezelschap wat pittig en coquet doet! Daar zal geen sterveling iets achter zoeken! Dat is heel iets anders dan dat weeë, onnatuurlijke gedoe van zooeven!"

„Door mijn toedoen is Hugo dan toch maar beter geworden! Jij mag het onnatuurlijk noemen, maar...."

„Onzin! Die jongen zou zonder jou ook wel beter geworden zijn, als het ziek-doen hem begon te vervelen! Misschien heeft zijn verliefd-worden op jou een handje meegeholpen! Dat is mogelijk! Maar daartoe leen ik mijn vrouw niet!"

„Als je toch je best maar eens wou doen, om te begrijpen !"

Sluiten