Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE COMEDIE THUIS

nog erger vond, maar dit maakte geen indruk; alleen vond Max een mislukte toespeling op levende lijken.

„O!" zei een van de sjofele jonge mannen met enormen pathos, „wat hij mij heeft aangedaan, dat is met geen woorden te zeggen."

Niemand noodigde hem uit om dit nochtans te beproeven.

„Hij is toch leep," zei de kleine Ko. „Weet jullie van die overeenkomst met de erven Tielman? Nou, ze hebben hem er eindelijk toe gekregen een soort afspraak met ze te maken, en ze zagen er tegen op hem een exploot te sturen. Nu is hij gedwongen, vóór hij iets van Tielmans speelt, een contract met ze te maken, waarin hij zoo vast zit als een muur. Wat doet hij nu? Om de zaak te rekken, maakt hij telkens opnieuw allerlei idiote fouten in de acte, zoodat ze die nu al tweemaal hebben moeten terugsturen en zoo verloopt de tijd. Hij speelt het stuk niet, en een ander krijgt het ook niet. Daar is het hem om te doen."

„Ha, die is goed!" Pa juichte, zijn eigen grieven vergetend.

De Van Weteren's begonnen nu een ruzie over de wenschelijkheid van opstappen. Het kind in haar hoek betrapt met de poederdoos en den kwast, werd door elkaar gerammeld en ging luidkeels jammeren. Het zag er griezelig uit en gaf Max aanleiding om weer van het levende lijk gewag te maken. Oom Guus vond gelegenheid om tot de moeder te zeggen: „Wat lijkt ze toch op je!"

Maar hij was nu de canapé genaderd. De tragédienne had in haar moedertrots verteld, dat Ben een vers op haar dochter 'had gemaakt.

„U is dus dichter, hé?" zei hij, en zich tot het gezelschap wendende:

Hij kan rijmen, hij kan dichten, Zonder zijn hemmetje op te lichten."

»Foei, foei!« klonk het, maar ook: »die oom Gijs!« En allen lachten, ook de tragédienne, ook Nini, ofschoon zij boos deed en »ga weg!« riep. Maar oom Gijs was nu eenmaal op dreef.

Sluiten