Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TRISTAN EN ISEULT

van het koninklijk paleis om in den donkeren regennacht zich in te schepen. Zij is niet de aangebeden geliefde, de zwakke die beschermd wordt, zooals we uit de ridderverhalen vele vrouwen kennen, maar de trotsche en sterke, die leeft door haar liefde en hiervoor alles kan dragen en dulden. Treffend in zijn eenvoud teekent Eilhart von Oberge koningin Iseult na haar aankomst bij Tristan, »Then, when ihe queen came ashore and heard the great lamentation, her grief was heavy. 'Alas!' she said, 'woe is me! Tristan is dead!' But she turned neither red nor white, nor wept any more, though in her heart was great woe. Hear now what she did. Silently she went to the chamber where the knight lay on his bier. And close by stood his wife, who wept and lamented sorely. The queen said to her: 'Lady, thou shouldst stand aside, and let me come nearer. I have better cause to weep than thou, that mayest thou well believe. He was dearer to me than ever he was to thee.'

With that she turned back the covering that was on the bier, and pushed Tristram's body a little farther over. Then she sat down by the knight, and spake never a word more, but laid herself close beside him and was dead.» a)

Al wordt door onderzoekers het bestaan van Keltische elementen toegegeven, toch is het niet alleen een der grootste strijdpunten van de «matière de Bretagne», welke motieven zeker Keltisch zijn, maar vooral ook welke tak of takken der Kelten aandeel hadden in het ontstaan en den groei der sage, alvorens zij de Fransche dichters bereikte. Zooals het gebruikelijk is in gevallen, waar overleveringen schaarsch zijn, heeft men de voornaamste namen in de sage aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Zimmer heeft in zijn bekend artikel over namen in de Arthursage 2) aangetoond, dat Tristan waarschijnlijk van Pictischen oorsprong is. In de lersche kronieken van de Pieten hebben

J) Aangehaald door Maynadier »The Arthur of the English Poets«, Boston and New York, 1907, p. 172.

2) »Zeitschrift für französische Sprache und Litteratur«, XIII (1891).

Sluiten