Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

gestalte, waarvan de vormen en omlijningen verdoezelden in de duisternis. Hij herkende den ingenieur Karei Fransen, die zijn kleurige uniform tegen een zwart pak verwisseld had.

Het duurde lang, eer de sombere gast begon te spreken. Grijnzend vertrok hij zijn lippen, de blinkende tanden ontblootend. Dan stapte hij enkele schreden naar voren en zijn lach werd hoorbaar.

„Moriturus te salutat, van Baerle!" klonk het spottend. „Men pleegt den laatsten wil van een stervende te vervullen. Met mij is het zoover gekomen, dat ik vrijwillig in den oorlog trek. Daarom verwacht ik door niemand te worden afgewezen."

„Ik veronderstelde niet.... zoo plotseling... . een bezoek," stamelde de kunstenaar.

„De voordeur stond open en ongemerkt kwam ik binnen," luidde het antwoord.

Van Baerle leunde met zijn rug tegen den muur en sloot de oogen. Het begon hem te duizelen. Ofschoon hij den samenhang niet begreep, voelde hij, dat deze man de moordenaar moest zijn. Er opende zich een afgrond aan zijn voeten, dien hij met zijn blik niet durfde peilen. Ontzet drukte hij zijn lichaam stijf tegen den wand, zoodat het pleisterwerk kraakte en de kalk in korrels naar beneden viel. Na eenigen tijd hoorde hij een zwak gestommel. Hij keek op en aanschouwde een zonderling tafereel.

De planter was op zijn teenen naar de openstaande deur geslopen en wilde heimelijk verdwijnen, toen hij door den ingenieur bij den arm werd gepakt en in de kamer teruggeduwd.

„U blijft!" sprak bevelend de stem van den officier.

Merker gebaarde zich als een betrapte boosdoener. Hij stond met gebogen hoofd en gebalde vuisten, sidderend aan al zijn ledematen, terwijl een purperen blos zijn kaken bedekte. Vergeefs trachtte hij zijn hortenden adem te beheerschen en toen hij wilde spreken, verstikten de woorden in zijn keel.

„Waarom mag ik niet weg?" vroeg hij schor.

Sluiten