Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN SNELTREIN

voortjakkert over den spoordijk, is aan alle kanten de nacht weer toegesloten.

Hoe is in weinige dagen mijn geweten verworden; zonder afkeer overweeg ik de mogelijkheid van Berthe's dood en de voor mij gunstige gevolgen. Indien ik haar kon bezweren, vernietigen op dien verren afstand, zonder kans op ontdekking of zelfs maar een spoor van vermoeden, hoe sterk zou de weerstand zijn in mijn afgemartelde ziel? Zou mijn verwilderde begeerte niet als een radelooze toegrijpen en dat broze bestaan in Lugano overleveren aan alle machten van de hel?

Zooals ik er zelf de prooi van ben. Want de brand in mijn ingewanden en de gloed, die mijn keel verzengt, kunnen geen natuurlijke oorzaken hebben. Zij zijn de voorsmaak van de wroeging, die zich voor altijd in mijn zenuwen heeft genesteld en die mij zuur na zuur, bitter na bitter, tot het einde zal vergiftigen. De hitte, die mijn vingers doet trillen, verschilt van al mijn ondervinding van koorts; nooit heeft een ziekte zich zoo onnatuurlijk in mijn lichaam geënt en is zoo hevig uitgebroken. Een kracht, sterker dan mijn menschelijkheid, regeert mijn leven, voert mij blindelings in de zonde en zweept mij nu langs de ijzeren baan, sneller, sneller, rampzaliger, ellendiger en maalt den ijzeren molen van mijn gedachten.

De nacht wordt bevolkt met schimmen, steeds meer schimmen, reuzenschaduwen, die zich langs de spoorbaan genesteld hebben.... En eindelijk weer licht, pinkelende lantarens en aan hooge staketsels zwaaiende booglampen. Daarna stuiven wij tusschen de hooge huizen van Rotterdam, die als bontverlichte coulissen worden voorbijgetrokken, telkens afgewisseld door donkere, mijlenverre ravijnen, vol gloeiende punten en stippen als een sterrenstelsel, dat wij rakelings voorbijtrekken. Wij rinkinken er schallend overheen, malend de wielen over de sidderende brugspoken, gieren voorbij de geel-simoezelige ramen van het menschenbroedsel, dat daarachter wegkruipt, zwaaien opnieuw langs spanningen, roekeloos van wijdte in den nacht en de draaikolk der omhoog wervelende havengeluiden. De vaart van den trein begint te vertragen, zijn overmatige donder

Sluiten