Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK VAN HET TOONEEL

door HENRI BOREL

Zij is nogal meegevallen, de opdiening in mooten van »De Kleine Johannes«. Op zich zelf is het idee, »De Kleine Johannes« ten tooneele te brengen, wel absurd, want een sprookje moet schoone verbeelding blijven en géén tastbare werkelijkheid worden, maar, met dit voorbehoud, moet erkend worden dat de heer IJs. Vissel met piëteit en liefderijke voorzichtigheid de twaalf mooten uit het sprookje »De Kleine Johannes« heeft gesneden, en dat de regisseur van het Rott. Hofstad-Tooneel, de heer Schwab, ze zoo mooi mogelijk geserveerd heeft. Eduard Veterman heeft voor de aankleeding gezorgd en is er in geslaagd voor zoover dit maar eenigszins mogelijk was, de sprookjessfeer te benaderen, vooral in de eerste tafereelen. Natuurlijk waren de duinen tooneelduinen en de boomen tooneelboomen, daar was niet aan te ontkomen en het gras was „net echt", tooneelgras van doek, maar voor den niet al te critischen toeschouwer was er toch iets als illusie.

Windekind, het ijle elfenwezentje, aetherisch, als uit manestralen en sterreschijn geschapen, is een beetje een revue-engel geworden; dit kon óók niet uitblijven, al had men er Carla de Raet voor gekozen, die een klein rank figuur heeft, en Johannes, uitgebeeld door Lily Frenkel-Bouwmeester, had wel wat van Merijntje Gijzen, maar hij wist zich gelukkig vrij te houden van het théatrale en pathetische, en sprak de taal uit het boek — bijna alle dialogen zijn bijna precies uit dit boek geciteerd — op eenvoudigen, kinderlijken toon, zooals het behoorde. Veterman is er kranig in geslaagd, het sprinkhaan- en kikvorschenen glimwormpjes- en konijntjes-probleem uit het sprookje op te lossen, wat een zeer moeilijke taak was, en er was een alleraardigst caricaturaal tooneeltje gemaakt van de Zondagsmen-

Sluiten