Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

654

DE EER VAN HET GESLACHT

Paul (ironischen blik naar Amalia]: Et tu, Brute! Amalia (plechtig): Van kwaadspreken is geen kwestie. Ik sprak eenvoudig de waarheid. Paul: Wat is waarheid?

Hendrik: Dat zal jij zelf me 't beste kunnen vertellen! Amalia zei dat jij gezegd hebt....

Paul (invallend): ... . dat u gezegd hebt, dat ik gezegd heb.... Gaat u voort.

Hendrik: Hou je malligheden voor je! 't Is al bont genoeg, (met klem) Wat voer jij eigenlijk uit: werken of versjes maken?

Paul: Das ist also des Pudels Kern!

Hendrik: Dat is 't! En nou wil ik 's haring of kuit hebben.

Toto: Van dien poedel!

Amalia: Zwijg, Toto. Je beseft den ernst der situatie niet. En loop alsjeblieft niet zoo rond te draaien, maar ga zitten.

Paul: Welzeker kind, ga jij zitten. En Dick, ga jij ook zitten, wat ik je bidden mag. Daar. Dan past de groepeering volmaakt bij de situatie.

Hendrik: Dus hoe héb ik het? Wat ben je van plan?

Paul: God Papa, het spijt me waarachtig dat ik u moet teleurstellen, maar ik ben zoo leeg van plannen als een verstandig mensch op een zomerdag als deze maar zijn kan.

Ida: Dat prouveert niet voor je. Jonge menschen, die 't leven ernstig nemen, behooren elk uur van eiken dag van hun roeping vervuld te zijn. Aan de gedachteloozen heeft de maatschappij niets.

Paul: Ach mama, ik neem het leven volstrekt niet zoo ernstig. Moet u ook niet doen.... veel te vermoeiend. En de Maatschappij.... ik bedoel die gewichtige met 'n hoofdletter, — die zal aan mij wel nooit iets hebben.

Ida (oogen ten hemel): En dat is het opgroeiend geslacht! Dat zijn zij die de wereld moeten opbouwen! (blik op klok) En zoo laat al!.... Aanstonds is het mijn tijd alweer. Toto, geef mij nog eens gauw een kop thee.

Paul: Beste Mama, u en de uwen timmeren de wereld al

Sluiten