Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER DUITSCHE LETTEREN

757

In zijn »Manas« daarentegen gaf hij de psychologie van den verzonken mensch (Indisch ascetisme) die, hemelbelevend, de natuur tot gezel krijgt, terwijl hij in zijn »Berge, Meere und Giganten« een toekomstigen mensch construeert, een actieven mensch, die de natuur weet te beheerschen, Groenland ijsvrij maakt, bergen bouwt, om dan te ervaren, dat de natuur zich nochtans tegen hem keert. Waar is de uitweg? Hoe te leven? Daar komt in »Berlin Alexanderplatz« Franz Biberkopf uit de gevangenis en wil opnieuw het leven ingaan met het vaste voornemen een fatsoenlijk mensch te zijn. Van dat oogenblik af gaan we mèt Franz, denken, handelen, lijden we met Franz: we venten met hem op den Alex onze couranten, we drinken, eten, doen aan politiek, vrouwen komen en gaan, vrienden eveneens, smaad en ellende komt rijkelijk over ons, och, we worden bedrogen, maar we willen fatsoenlijk zijn, we willen.... Weer krabbelen we overeind, en gaan door de lichte en de duistere stad, die ons niets meer verbergen kan, omdat de «dichtende Instanz» ons alles doet ontsluieren, — we worden bij een inbraak betrokken en daarbij door een vriend onder een auto gegooid — ziekenhuis, pijnen —, we leven verder, klampen ons vast aan een jong meisje; maar ze wordt ons door een vriend ontstolen en daarbij vermoord. Gevangenis opnieuw — we wilden fatsoenlijk zijn — «iets om en in ons» wilde het anders: nu schreeuwt de dood ons in de ooren, neemt ons hart, — En dan eerst beseffen wij, beseft Franz Biberkopf: wij allen bouwden Berlijn, wij allen bliezen het adem in. Dien adem ontloopt geen Franz Biberkopf voordat hij eraan gestorven is; de blinden moeten ziende worden, de onwetenden schuldbewust, de lukraak levenden verantwoordingsvol. Het is niet genoeg dat men «fatsoenlijk wil leven»: wij moeten het leven leiden, terwijl wij wetend handelen! Deze bewust-handelende Biberkopf gaat opnieuw het leven in. — Döblin, die zich eens zoo ernstig rekenschap gaf van het wezen der epische kunst, gaf in Berlin-Alexanderplatz een romanvorm vol belofte: het zuiver-epische. Zoo werd zijn laatste roman een teeken, een belofte, een overwinning.

Zwaarder hebben de jongeren het in hun benauwende problematiek; was het wonder dat Thomas Mann hen, in een gevoel van zieleverwantschap, eens «zorgenkinderen» noemde? Uit eigen ervaring sprak hij, toen hij, zich tot de jeugd richtend (men leze dit essay in het straks te noemen werk »Die Forderung des Tages«), vertroostend herinnerde aan de identiteit van «talent» en «het-zwaar-te-verantwoorden-hebben». Hoe die jeugd zoekt, zwevend tusschen gisteren en morgen, tusschen hemel en aarde, teekende een der meest-belovenden onder hen, W. E. Süsskind, in zijn roman »Jugend« (Deutsche Verlagsanstalt, Stuttgart); hijzelf behoort tot de beproefde generatie, die in

Sluiten