Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN TWEESPRONG

De wagen gleed geruischloos de stad uit, den weg op naar Setjang, en onder het waarnemen van het nachtelijk land rondom bleef hij onaangedaan en voelde zich eensklaps moe — tóch moe — door het gebrek aan slaap gedurende de laatste dagen, — door de. nachtlucht, — door al het tobben, dat hij gedaan had ook, dacht hij. Hij trok zijn pet tot aan zijn ooren, lei zich gemakkelijk in den hoek en sloot de oogen.

Het grommend zoemen van den motor werd plotseling tot een luid gerucht in zijn dommelenden kop, maar snel deinde de indruk ook daarvan weg en hij sliep in zooals hij zat, het eene been in een knik geslagen over het andere, de handen gevouwen, het scherp geteekende gelaat onder de vooruitstekende klep van zijn pet als in aandacht geheven naar het met sterren bezaaide gewelf van den hemel.

Zoo liet zijn geest de afgekeken aarde los en schiep zich in grootere kracht van verbeelding de vrouw van zijn ervaring der laatste dagen, — niet de bijna nog kinderlijk slanke Mary van vroeger, maar die van nu — met dezelfde donkere oogen, met hetzelfde overvloedige, golvende, donkerbruine haar, met denzelfden rooden mond, maar alles herschapen in de figuur van haar volgroeide vrouwenschoonheid.

Zóó tastbaar scheen hem zijn droombeeld, dat hij zijn armen strékte voor de omvatting van haar lichaam.

Maar dan schoof in zijn visioen de grijnzende saterkop van den ander tusschen haar en hem, en zijn armspieren spanden zich eensklaps onder zijn duizelende drift. Zijn vuist bliksemde neer, — niet op het kinnebakken van den ander, maar een gat sloeg hij in de lucht! De gehate kop was weg en Mary stond daar, Mary, Mary! En got! ze glimlachte om zijn machtelooze woede en hoonde hem nog, als ze zei:

»Raak slaan, Bob! Vroeger kon je 't beter!«

En opgehitst door haar koelen spot, begon hij de wanhopige worsteling opnieuw — en nog eens — totdat zijn krachten braken. Hij viel neer waar hij stond, en verborg

Sluiten