Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRIJ EN ONVRIJ

een vertegenwoordiger, die hem de onmiddellijke sensatie gaf zich schrap te moeten zetten.

— Heb u 't al van Kees gehoord?, werd luidruchtig op een uitdagenden toon, die een duidelijke verlegenheid verborg, den oudere toegevoegd.

— Kees, welke Kees?, mompelde Kroon onnoozel.

— Kees van Dommelen, natuurlijk, schalde Velderman.

— Kent u hem goed?, tastte Kroon en zijn wakker geschokt verweer werd bedacht op bluf van den ander. Met lichten schrik verweet hij zich voorts dit keer niet te hebben getutoyeerd, dus verbeterde hij — 'k bedoel: heb je hem wel eens ontmoet?

— Persoonlijk niet.

Kroon proefde de malheid dezer twee woorden, gewichtig uitgesproken alsof ze een of andere verfijnde formuleering inhielden. Vroeger — dacht hij — zouden wij zeggen: ja of nee; deze nieuwlichters zeiden: persoonlijk niet.

— Leuke kerel, lachte Velderman; familiaar, zelfs beschermend klonk zijn lof.

— Op een soirée, die hij gaf, zijn vrouw dan, want die doet die akkevietjes, had hij een strikje in zijn baard.

— In zijn baard? stamelde Kroon béte na.

— Ja, een lange baard heeft-ie, Kees, en daar een keurig klein strikje in; die vent durft, hij doet het maar.

Kroon maakte een duidelijk gebaar van afkeer. De ander haalde zijn schouders op, in twijfel, en Kroon constateerde de karakterloosheid van dezen onafhankelijke, toen hij in vergoelijkenden toon vernam: — ze spreken over hem, hij is er daar en daar gaat het om.

— Ja, dacht Kroon, 't is niet de manier van onze menschen. Voor zijn geest kwamen de oude Israëls, Bosboom, de Marissen en ineens was er de gedachte aan Suze Bisschop, die hij hier op dezen weg dikwijls tegenkwam, waar het haar een geliefde gewoonte, een vreugde-oogenblik van haar dag was om in het vroege ochtenduur te wandelen, vóór zij haar atelier in de van Diemenstraat opzocht.

Kees van Dommelen en Suze Bisschop. Het contrast verliet hem niet. De groote, kleine vrouw had hij bewonderd en in de laatste levensjaren, toen een

Sluiten