Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HUIS AAN DEN DIJK

trachtte mij te verdiepen in een mijner geliefde boeken: »Adolphe« van Benjamin Constant, maar mijn aandacht kon zich niet bepalen bij deze scherpe, indringende lectuur, het boek viel uit mijn handen, ik liet 'het liggen en gaf mij over, weerloos en zonder verzet, aan de duistere machten, die mijn ziel bevlogen.

Altijd wanneer de angst het hevigst wordt, zie ik als tastbaar voor mij het huis aan den dijk: somber, grauw, een doode, die uit het graf tot het leven herboren wordt. Het staat daar dan in de verbeeldingen van mijn ontzind en redeloos brein als een wezen van vleesch en bloed. De donkere, gesloten blinden schijnen mij even zoo vele oogen toe, de deur, een breede lage ingang, de mond; langzamerhand neemt het ganschelijk den vorm van een gelaat aan, een bovenmenschelijk, een duivelsch gelaat, een Moloch, en het komt mij dan dikwijls voor, alsof de een of andere onheilwekkende geest hen, die ik zeer liefhad en die verraderlijk van mij werden genomen: Vader, Esther en JanWillem, ons kind, alles wat ik ter wereld bezat, heeft verslonden. Het trok hen tot zich met magische kracht, zooals ik weet dat het ook eenmaal mij tot zich zal trekken.

Ik haat dit huis.

I

In het dorp, waar wij woonden, was mijn vader geneesheer. Hij hechtte zich aan de bewoners met een vaste en oprechte genegenheid en zij van hun kant aan hem evenzeer.

Korten tijd nadat hij mijn moeder trouwde, had hij zich daar gevestigd. Een andere standplaats kende hij sindsdien niet. Het dorp had hem, den eenvoudigen, stoeren man, onmiddellijk aangetrokken, doordat het zoo breed en open lag onder aan den dijk, die het beschutte tegen het geweld der zee. En even spoedig had hij een groote vriendschap opgevat voor de dorpelingen, omdat ze slank en krachtig waren gelijk hij-zelf; omdat in hun verweerde gelaten ston-

Sluiten