Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

luk en vreugde, als het huis netjes schoon is, als er lekker eten is en het geheele gezin allemaal bij elkaar theediinkend en pratend zit, of in aandacht verzonken luisterend naar wat vader voorleest uit een of anderen driestuiversroman. Deze avonden ondergaat de jongen met intens genot, want dan voelt hij de saêmhoorigheid van het gezin het meest en dat maakt zijn geluk uit. Hij geniet van de gesprekken van Vader en de jongens, die eigenlijk heelemaal niet geschikt voor hem zijn, — Vader, die zoo met zijn zoons meê kan doen als huns gelijke, in hun ruwe, vaak schunnige grapjes, in hun kaartspel. Hij is ook door den schrijver uitmuntend uitgebeeld, door het ruwe omhulsel heen voelen we zijn warme menschelijkheid, zijn warme hart, zijn blijheid. Om hem heen hangt het meest de sfeer van het «Nest», die sfeer, die Eli eigenlijk het diepst aanvoelt. In zijn gesprekken met vrouw en kinderen en vrinden zit die echtJoodsche humor, die ons ook altijd even geboeid doet staan bij de stalletjes der markt joden, als ze daar hun waar staan aan te prijzen op hun sappige, geestige, drukke manier. Hij is een kostelijk type en een kostelijk product van schrijvers pen. Over zijn vrouw hooren we niet zooveel, omdat er van haar maar weinig uitgaat en er daardoor niet veel over haar gezegd behoeft te worden. Ze gaat maar stil slovend haar gangetje; min of meer ontevreden met haar lot, heeft ze toch op haar gezin geen bepaalden invloed in die richting, ze blijft op den achtergrond, óók in dit boek. Maar toch kénnen we haar door het weinige, dat we slechts van haar te hooren krijgen. Dan zijn er verder al de jongen uit het «Nest», de zes broers en de drie zusjes. Twee van de jongens zijn het huis al uit, maar de anderen zijn nog om Eli heen; zij maken voor een groot deel zijn leven uit, aan de broers is hij verknocht, met hen trekt hij één lijn en al maakt hun ruwe heftigheid, hun drang naar daden, meest ongeoorloofde, hun bruutheid hem vaak angstig, tóch blijft hij aan hun zijde en zal hen nooit afvallen of verraden. Tragisch is het, dat hij ze langzamerhand verliezen moet, den een na den ander, tot hij alleen met een paar zusjes in het verlaten nest achterblijft: twee vinden elders baantjes en meisjes, die hen van huis trekken, een wordt hem ontrukt door den dood, een andere door het geloof. Opnieuw treft het ons, hoe diep Sam. Goudsmit is doorgedrongen in een kinderziel als deze, om zóó zijn houding en gevoel tegenover den stervenden broer te kunnen weergeven. Zoo vinden we in dit rijke boek steeds weer nieuwe schatten. Soms is het, alsof Goudsmit's pen een penseel is, waarmee hij ons een warm, levend, kleurig schilderij voortoovert, zóó tot in details kan hij ons iets aanschouwelijk maken. Daar hebben we b.v. dat tooneeltje uit het hoofdstuk »Vleesch«, wanneer er 's nachts op het achterplaatsje een verboden geslacht kalf, door Jankef bij een boer op den kop ge-

Sluiten