Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERZEN

— Een oud man biecht zijn weggesmeten leven, en welke hand neemt deze armoe aan? Wie heeft voor dit vertwijfelde bestaan het sacrament van een gereê vergeven?

Het wordt al lichter en de nacht is wit....

OUDE KWATRIJNEN

I

Wie in des levens weelden zijn gestorven, wie nooit hun deel van 't leed hebben verworven — zij zijn de roekelooze plukkers van het fruit, dat tot het klokhuis is bedorven.

II

Ontwakend uit dien langen nacht van vreezen waart gij van mij en ik van u genezen — die bij de smart elkanders troosters zijn, vinden bij vreugd het eigen kleine wezen.

III

Mijn hart is van uw wijsheid gansch vervuld, ik zoek vergeefs het woord, dat haar onthult — Tot aan der dijken kruinen staat het water *—■ o Heer, heb nog éen oogenblik geduld!

IV

Laat u niet door der lieden logentaal misleiden, zwart is hun hart, zij spreken list en laster beiden — Bedenk: in 't alom donker is de schijn der kaars wel zwak, maar reeds van ver kan men de lichtbron onderscheiden.

V

In uwe verzen hebt gij al uw smart aan ons beleden, in elk gesprek hebt gij zorgvuldig iedren ernst vermeden — Zeg zélf: zaagt ge'op een feest ooit oudre vrouw, rondom wier mond betooverend een jonge lach niet is gegleden?

Sluiten