Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERRE PRINS

Het poesje heeft zich op haar schoot te slapen gelegd, het ligt argeloos neer als een slapend kind, de donzige pootjes gekruist, Hoe aanbiddelijk is toch al wat jong is. Ze blijft er stil om zitten, de armen op het bureautje, het hoofd in de handen. Weer kijkt ze op de kleine wijzerplaat. Nu kan het niet meer. Ze voelt zich ontheven van een ondragelijke spanning, maar de dag is nu voor haar gesloten en ze vordert er na ook niets met haar werk. Ze staat op, het poesje is met een zacht plofje op den grond gesprongen. Voor den spiegel schrikt ze. Is zij dat? Haar wangen hebben hun rondheid verloren, haar nek is pezig, haar oogen zijn onderschaduwd. Het is de muziek, die haar vleesch verslindt. En in de muziek is haar liefde. Het is de liefde, die haar hals doet slinken, die achter aan haar oogen trekt, dat ze moe en dof worden. Het is de liefde, die haar ziel leeg-eet. Amke buigt haar hoofd achterover en lacht stralend. Dat deze liefde haar verteere^ tot er niets meer van haar overblijft!

„Dat zal een gezellige pan worden," bromt Wolf tegen het clubje jongelui, dat op Koen's kamer om het open haardje zit.

„Verdraaid nog toe, de heele boel ligt uit elkaar. Paul met 1 Januari naar Duitschland, Bakels geëngageerd. En weet jullie, waar onze Italiaan tegenwoordig uithangt?"

Koen, die lui achterover in zijn stoel ligt, zijn voeten op het kozijn naast het aquarium, schudt ontkennend het hoofd. Paul, op den rand van Koen's bed, laat, om zijn onverschilligheid te demonstreeren over den boel, die uit elkaar ligt, zijn beenen schommelen en haalt de schouders op.

„Je hoeft mij zoo veelbeteekenend niet aan te zien," zegt Amke bits. „Ik heb niets met hem te maken."

Ze huivert, als ze naar de nat-gestriemde daken ziet en naar de gierende uithalen van den Novemberstorm luistert. Eindeloos zijn deze grauwe dagen, dagen, die niet open gaan, de grauwe dagen voor Kerstmis. Ze herinnert zich niet, zich ooit zoo lusteloos gevoeld te hebben, 's Morgens,

Sluiten