Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAAP STUURMAN ALS LANDKRAB.

5

groot deel van den daarop volgenden nacht met hem uit was geweest en hij 's anderdaags, laat in den namiddag, zich de laatste resten van zijn roes uit de oogen wreef, was Geert Kramer voor hem 't ideaal van een kapitein, dien hij, als 't aan hem lag, niet in den steek zou laten zoolang hij bleef varen.

Achterveertig jaar lang bleef de „Spes Mea" in de vaart. Tientallen koksmaten en vier honden zag ze bij zich aan boord in dien tijd, maar Geert Kramer bleef haar gezagvoerder, al die jaren lang, en Jaap Loos haar stuurman.

Eindelijk, toen zij een oude drijver, Jaap een taaie zeventiger en Geert Kramer een montere mannetjesputter van drieënzeventig geworden was, gingen ze van elkaar.

't Was op een middagin October, toen ze in de haven van Delfzijl voor anker lagen. Zij zaten met hun tweeën in de kajuit achter hun leege etensbak een pijp te rooken en Jaap zag dat zijn baas zich hulde in dichte wolken. Hij kende de beteekenis van die manoeuvre: 't was vanouds de inleiding tot een gewichtig gesprek. Hij legde daarom zijn pijp maar voor zich optafel, duwde zijn handen in zijn broekzakken en wachtte op wat er komen zou.

„Jaap," hoorde hij eindelijk, toen 't kleine hokje met een dichten damp was gevuld.

„Nou schipper?" vroeg Jaap.

„Hoe oud ben je ook weer?"

„Hoe oud of ik ben? Hoe heb 'k het nou met je, begin je af te takelen? Je hebt achtenveertig jaar lang geweten dat 'k drie jaar jonger was as jijzelf en ben je dat nou ineens maar vergeten?"

„Nee jong — 'k vroeg je 't eigenlijk meer om op gang te komen — 'k wou je wat vertellen dat niet zoo heel mooi voor je is."

„Nou, vertel dan maar op en zeur d'r niet om heen — weten mot ik 't immers toch."

„Ja dat is ook zoo, nou dan—'k wou m'n schip verkoopen jong."

„Daar hei je groot gelijk aan."

„Heb 'k daar gelijk aan zeg jij?"

„Ja zeker hei je dat. Jij begrijpt toch krekt zoo goed as ik, dat 't op verzuipen uitdraait, zoodra wij onderweg 'n dikke storm krijgen. Twee ouwe kerels met 'n hond en 'n kwajongen van vijftien jaar op zoo'n versleten schuit — 't ken toch nooit goed gaan op den duur!"

Sluiten