Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4s

TWEEDE VROUW.

gang, van af de deur van het eetzaaltje tot aan de steenen stoeptreden met de dwergachtige laurierboompjes. Het regende gestadig door, ze konden het zachte plassen op het leege marktplein hooren, kil-frisch waasde daarbuiten de duistere nachtlucht.

Josien voelde zich ontspannen. Daar aan tafel, eigenlijk al daarboven op die duistere kamer met het flakkerende kaarslicht, was het plotseling in haar opgedrongen, als een stoot zoo fel, of ze wel zooveel van Her hield als ze zelf eerst meende.... ? Als je werkehjk van iemand hield met heel je ziel en heel je wezen, hoe kon je dan humeurig wezen, omdat er op reis je wat tegensloeg— Her kon het toch zeker ook niet helpen, dat het hotel verkocht werd en dat ze door de modder hadden moeten loopen. Nee, dat alles kon hij niet helpen, maar wel, dat hij niet wilde begrijpen dat ze zich angstig voelde en vreemd op die donkere kamer, waar de wind zoo kil doorwoei, en dat hij dit van haar als kinderachtigheid en nukkigheid beschouwde. Nu was dat alles weer voorbij, voelde ze verdwijnen haar prikkelbaarheid, voelde zich gelukkig hier met Her te loopen, zij beiden alleen in die gang, waar het ruim en koel was, en waar ze aldoor hoorden het geplas van den regen. En ze ademde gretig op, terwijl ze zei:

— Heerlijk hè, je ruikt de regen!

De dokter lachte. — Wat een overdrijving, plaagde hij, zijn armen om haar schouders leggend. Je zintuigen moeten al bizonder fijn zijn ontwikkeld....

— Misschien zijn ze dat wel.

— Als je zelfs water ruikt

— Waarom niet, water heeft toch ook een eigen geur, zoogoed als aarde, als elk ding!

— Kom-kom, vrouwtje....

Het welgewetene in z'n toon prikkelde Josien opnieuw tot een ergernis, die ze toch weer als onredelijk besefte. Laat ik nu zwijgen .... niet erover kibbelen, dwong ze zich. Zonder spreken bleven ze naast elkaar voortloopen, Josien trachtte werktuigelijk haar stappen te regelen naar de zijne, telkens weer raakte hij voor, ze hoorde haar hooge hakken klepperen in het haastige gaan. Bij de voordeur bleef ze talmen, tuurde naar buiten. Ook Herman stond stil, en als om te toonen dat hij niet boos werd om haar onredelijkheid daareven, vroeg hij vriendelijk:

Sluiten