Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE VROUW.

49

— Is het nog al niet droog? Jammer....

De regen viel, suizelde aldoor neer, het ruischte op de stugge laurierboompjes, pletste op de steenen treden, heel de lucht vervuld van den murmelenden regenval. Troosteloos leeg lag het marktpleintje, geen enkel gerucht waarde er om, ver weg, uit een huis aan den anderen kant boorde een rossig schijnsel door het nachtezwart; het leek er nog donkerder door, nog troosteloozer. En Josien, starend in het droeve duister, voelde herleven haar angsten van daarstraks in hun sombere slaapkamer bij die enkele kaars, en 't was of gelijk daarmee groeide een wrevel tegen Herman. Nee, hij begreep niets van haar en zij, ze moest daaronder lijden.... Ineens overtuigd van zijn ongelijk, vroeg ze:

—■ Zeg Her, hoe is dat thuis met het licht, geen gas, is wel?

Verwonderd keek hij in haar warm gezicht.

— Nee, gas hebben we nog niet, wel overal mooie lampen....

— Moeten we daarbij altijd zitten? Dat halve donker, je weet 't, ik kan er niet tegen, jij begrijpt dat niet, maar ik zeg je ik ben bang, het maakt me dol zenuwachtig! Wat geven zulke lampen nu voor licht... Jij denkt daar niet aan, omdat je dat zelf niet voelt...

Ze hijgde, en diep-in wist ze haar eigen opwinding en dat het zoo erg niet was.... Van terzij keek ze hem aan, zijn gezicht trok strak.

— Kom, je bent vermoeid, overspannen, zei hij koel. We zullen gaan slapen.

Josien wou wel antwoorden, opnieuw uitvallen. Maar in de schemering van de gang zag ze zijn oogen hard, zijn mond vast genepen, en ze zweeg. Met hem besteeg ze de trap. Er brandde nog geen licht in hun kamer, ze hoorde hem zoeken op tafel, naar den blaker. Wachtend stond ze in het donker. En ineens voelde ze zich rampzalig om dezen kleinen twist, hun eerste oneenigheid, rampzalig, om het luid-op uit te snikken.... Ze tastte heen naar hem, greep zijn hand, drukte zich tegen hem aan.... en het leek haar of alle bezwaren wegvielen, nu hij haar troostend in zijn armen sloot. Wat kon haar eigenlijk alles in de wereld schelen, zoolang ze hem had, o, ze hield van hem, ze hield van hem! Een rilling doortrok haar, dat ze vanmiddag even aan haarzelf, aan haar eigen liefde kon twijfelen.

4

Sluiten