Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5S

TWEEDE VROUW.

maar wat op en rust even uit. Over een uurtje gaan we al aan tafel.

Alleen gebleven, staarde Josien afwezig rond. Haar oogen gleden, zonder het in zich op te nemen, over de dof-eiken meubelen, het breede eiken bed onder de tullen sprei.... De roode meidoorn op tafel geurde heel de kamer vol, zelfs al stond ook wijd het venster open. Een zoele wind zweefde aan van over de verre heiden, ruischend streek hij door de berkenlaan, de blanke gordijntjes voor het raam beefden zachtjes onder zijn adem. Ja, wel ruim en hïsch was het hier, mijmerde ze, heel anders dan in stad. Alleen, zoo eenzaam, stil. Geen gerij en geen geren, geen belgeklingel, geen gejoel van stemmen.... Bijna zou ze zich hier kunnen verbeelden, gansch alleen op de wereld te zijn, met niets om haar heen dan de oneindigheid van lucht en heidevelden.

Van uit de verte zag ze zichzelf staan in de antieke spiegelkast, een nietig figuurtje in den gekreukten reismantel, met een paar verwonderde ronde grauwe oogen in een rond, heel blank- en rose gezicht. Het versterkte nog haar indruk van eenzaamheid. Haastig wendde ze zich af, schonk water in aan de kolossale marmeren waschtafel en wiesch zich, ordende haar kapsel. Uit de hangkast nam ze een luchtig wit japonnetje en trok dat aan, zoo, dat leek al dadelijk anders dan in die verfonfaaide kleeren. Ze zag er eigenlijk ook niets moe uit, en ze voelde zich daardoor al dadelijk uitgeruster.... ze kon best naar beneden gaan, besloot ze.

Zonde te gaan liggen, terwijl vader en moeder er waren!

Beneden, in de tuinkamer, had juffrouw Martha al de tafel gedekt voor het middagmaal Bedrijvig liep ze af en aan met haar zwaren tred, terwijl mevrouw Erzij, mondain en met een tikje spot in haar levendige oogen, haar tal van vragen deed, waarop de oude vrouw antwoordde met een wantrouwende kortheid. In den tuin, over het krakerig grintpad voor het huis, drentelde Erzij heen en weer, de handen op den rug, met telkens een glimp van zon, een glimp van schaduw over zijn grijzend hoofd.

— Herman er niet? vroeg Josien verbaasd.

—• Even naar een patiënt, zei mevrouw Erzij. Op de fiets.... hij zou dadelijk weerom zijn.

Josien rimpelde haar gladde voorhoofd. Nou komen die in de eerste plaats, verzuchtte ze. En dan ik pas

Sluiten