Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

TWEEDE VROUW.

Kijk, dat deden de vogels in de boomen, de takken zaten vol ervan, en nu ze goed toekeek waren het eigenlijk geen vogels maar bloemen, bonte beweeghjke bloemen die over de takken hupten. Maar daar ver weg ging hij, haar liefste, zonder omzien schreed hij voort, en voor hem uit blikkerde de zon op het golvend blauwzwart van die haren als op een stalen harnas. Ja, die haren, daarmee betooverde die andere hem, dacht ze wanhopig. En ineens herinnerde ze zich, hoe hij haar gevraagd had, toen, in het bosch, haar haren voor hem los te maken.... Haar handen tastten al naar haar hoofd, daar gleden de lokken, de lange lokken, ze ontrolden zich al verder, als een gulden stofwolk waaiden ze over de vlakte. Al verder, en er was geen hemel meer en geen zon, ook dat zwarte blonk niet meer, alles, alles goud van haar haren. Daar bereikte het hem.... Herman! kreet ze weer, met haar laatste kracht.

Haar eigen angstroep deed haar ontwaken. Ook Heiman schrikte wakker. Slaperig vroeg hij: — Wat is er.... ?

Ze zei hem, zoo akelig gedroomd te hebben, en hij trok haar in zijn armen en troostte met lieve woorden. Tot ze opnieuw insliep, eerst ontwakend in het stralende daglicht dat de kamer verblankte en geen angst meer toeliet.

(Slot volgt.)

Sluiten