Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

HET GELUK DAT BLEEF.

zij niet, daar kwam zij beslist tegen op. Zoo erg was 't heusch niet, zei ze, zij kon heel goed opkomen en werken. Een mensch mocht niet te veel toegeven aan z'n kwaaltjes, 't Beste was er niet meer aan te denken. En werkelijk zette zij zich achter de naaimachine, glimlachend nog om wat zij zijn overdreven bezorgdheid noemde, ,,'t Zal alles wel in orde komen, hoor." Hij was er nu haast zeker van.

Totdat opeens de schok kwam, 't verschrikkelijke, de beroerte. Victorine zakte ineen; Emanuel dacht dat de heele wereld wankelde. Hij was eerst gek van angst, wist niet wat te beginnen. „Victorine, Victorine," schreeuwde hij, „mijn vrouw, mijn inniggeliefde." Hij wilde haar helpen, haar opheffen, maar dat ging niet. Zij was te zwaar en te slap. Haar oogen puilden akelig, haar mond hing scheef open, was vol schuim. Emanuel sloeg zich op zijn hoofd. „Victorine, Victorine....!"

Dan holde hij de straat op, — hij wist niet meer, wat hij deed, — en daar gilde hij om hulp. Buren en vreemden kwamen aanloopen, vroegen verward wat hij had, volgden hem in zijn onderwoning, zonden om een dokter. Emanuel wist later niet meer, hoe alles precies gebeurde, 't Was of 't veraf geschiedde en of hij er niets mee te maken had. Zij namen Victorine op en legden haar in haar bed, zij betten haar hoofd met water en azijn; de dokter drong ze allen op zij. Dat was voor hem plots een hoopgevende verschijning, zoo'n groote en besliste man. Emanuel dacht, dat hij moest helpen, dat als hij 't niet kon, niemand bij machte zou

zijn. De dokter lichtte Victorine half op, klopte, tastte, keek

en 't was of hij haar uit den doode opwekte, zij kreunde, bewoog, leefde nog. Even was 't Emanuel of alles nu gered was. 't Was een akelige droom geweest, waaruit hij nu ontwaakte. Aldiespookige menschen met hun onthutste gezichten, konden nu wel weg gaan. Alles werd licht. Maar toen hij even nader trad bij het bed, viel hij dadelijk weer in zijn duistere wanhoop. Was de vrouw, die daar lag, lijkbleek en verwezen, zijn Victorine? 't Was om te lachen, luid en schaterend, om te gieren', 't Was te dwaas'.

De dokter gaf dadelijk al geen hoop. Streng keek hij hem in de oogen, toen hij hem de wreede waarheid zei, waar Emanuel niets van begreep. Die glimlachte zelfs, of hij iets aangenaams hoorde, of men hem een compliment maakte, gaf den dokter de hand en

Sluiten