Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MASKER.

119

— Gód, vergeef me, stamelde ze geschokt door het plotseling tragische, dat haar nu duidelijk werd.

Maar toen ze durfde opzien was hij verdwenen, zat ze alleen met de kwelling van haar niet goed te maken wreedheid.

Star, somber grijnzend lag daar eenzaam het masker, waarachter ze den geheelen avond had gegist, dat haar gesard had, gehypnotiseerd en opgezweept tenslotte tot dit. En zonder het te willen keek ze er naar toen ontzet, sprong ze op en met voor 't gezicht geslagen handen snelde ze de zaal uit.... Uit de holten in 't zwart hadden haar weer aangestaard zijn oogen, vlammend verwijtend, zooals zij ze gezien had in den spiegel in het gelaat, dat ze verlangd had te zien.... en dat ze nu kénde.

Beheerschiug van vreugde en smart

DOOR

EINKE TOLMAN.

IJlende paarden! O, wie sterk zijn vreugden ment In dit seizoen en hunnen driftig-drukken draf Beluistert met een klaar gelaat en zeker wendt Naar zijnen wil het span en wijkt terzij niet af....

Hollende paarden! O, wie sterk de mate kent

Van hunnen voetslag en de stem van 't brieschen weet,

Hij is een veilig man, die niet d'ellenden leed

Bij 't stormen van der zorgen wild-dravende bent

Hij blijft een rechte rijzer in dit stervend land

En schreit niet klaaglijk bij een flakk'rend-veegen brand:

Hij heft 't schoon hoofd en lacht de verre sterren toe,

Hij mint een vrouw en mint de kleuren van de lucht:

O, winner is, wie moordt der pijnen jonge vrucht

En leidt zijn paardenspan en wordt niet 't leiden moe

Sluiten