Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARMOEDZAAIERS.

285

De familie had hetzelfde bezwaar. —

Hij zou heel goed geweest zijn, als hij maar niet een eigen broer was geweest.

Zooals de zaken nu stonden, werd het geval bedenkelijker, en je moest altijd tweemaal de straat afkijken, eerst rechts en dan links, of niet soms een kennis je die deur met z'n afschuwelijk aanhoudend, lawaaierig, burgerlijk belletje zag opendoen en de hand drukken van het sjofele manneke achter de toonbank.

Z'n potloodjes en z'n stukjes ARA zouden heel uitstekend geweest zijn, als je ze maar te betalen had gehad aan „Mijnheer", en niet aan „Hein".

— Toch had het minder gekund. Hein had uit z'n maatschappelijke schipbreuk tenminste zekere fierheid gered. Opdringerig was hij allerminst, en daarom ook al vertoonde hij zich weinig, waar hij zijn weledelgestrenge, weleerwaarde en zeergeleerde heeren broeders kon verwachten.

Maar daar had je dan weer zijn vrouw!! —

Dat mensch wou maar niet begrijpen, dat ze eigenlijk 't mevrouwschap was afgestorven en nu tot den Juffrouwstand behoorde.

Ze wou en zou „Mevrouw" wezen. Daarom vroeg „Mevrouw" Willigers een dienstbode in de krant; gaven de Heer en „Mevrouw' Willigers kennis van de geboorte van een kind

Ik geloof waarachtig, dat ze terwille van de advertentie een paar kinderen meer kregen, dan wenschelijk was voor hun beurs..

Uiterlijk was ze minder verburgerd dan haar man, tenminste als ze netjes opgekleed liep te winkelen. In négligé moest je ze liever niet zien

Ze hadden drie kinderen in leven: twee jongens en een meisje.

Een vierde was dood geboren, had tenminste maar een paar uur geleefd. Dat lag nu op 't kerkhof, het onnoozel lijfje begraven onder vier zware namen.

't Was heel goeiig soort, die kinders, alleen wat armoeiig gestoffeerd in hun bovenkamer.

Maar moeder zag in de jongens professoren in den dop, en haar meisje was de beauté van de stad.

„Je zou eens zien, als ze de dochter van den burgemeester was, wat de jongelui om haar heen zouden fladderen!"

Sluiten