Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294

ARMOEDZAAIERS.

„Ja, zij kunnen 't genoeg doen....! Je moest eens zien, wat een dure mantel die Mientje pas wees gekocht heeft! En de andere was nog zoo goed....! Ze wou hem mij geven voor Marie, maar

ik zei, dat ze d'i meid er misschien meer plezier mee deed

Wat denkt ze wel!"

„Je moet anders je trots wel eens net zoo goed weg doen als je sieraden, lieve!"

„Nou maar; ik zou je dan danken: Marie haar afgedragen spullen aantrekken!"

„En je zei daarnet, dat-ie nog zoo mooi was!"

Moeder Tine zat vast, en trachtte zich er uit te redden met de logica, die geen logica is:

,,'t Kan allemaal wel zoo wezen! Maar ik wil niet, dat mijn kind in gegeven kleeren loopt."

Tobberig begon het manneke opnieuw:

„Zie je, ik wou de broers 't geld vragen, op afbetaling, en dan moeten wij...."

„Wat? Zeker in de afgedragen kleeren van jou familie loopen. ... ?"

„Luister toch eerst even, lieve! Ik wou alleen maar zeggen, dat we dan eenvoudiger moeten gaan leven."

„Hè? Eenvoudiger? Groote goedheid! Nog eenvoudiger?? Waar moet ik dat op vinden! Dat wou ik wel eens weten!"

„Vooreerst geen abonnementskaart meer voor de Orkestvereeniging."

„Nou, da's niks! Je hoort daar toch zooveel bijzonders niet." „En dan: geen bals of partijtjes meer."

Ze wou hem in de rede vallen; maar hij, bang, om van de baan gekegeld te worden, draafde door:

„En eenvoudiger eten: geen toetjes en soepjes en lekkernijen meer. En geen dure boter: neem margarine."

„Mar-ga-ri-ne!"

Stram, in snel genomen besluit, richtte ze zich stijf op: „Nee, hoor eens Hein, 'k wil alles wel, maar gèèn margarine, 'k Zou me dood schamen voor de meid!" „Maar de meid moet ook weg!" Verglaasd keken de wateroogen hem aan: „De-meid-ook-weg!"

Sluiten