Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BART BOUWERS' SCHAT

DOOR

E. G. VAN BOLHUIS.

I.

De zon was ondergegaan, de laatste gloed verzwijmde in het Westen en nu lagen de wijde velden in de grauw-vale schemer van de avend. Er lagen hoge vakken, die steil-donker zich ophieven, trotsig bijna in het tweelicht — 't waren de korenvelden, die aanstonds zouden worden gemaaid — en er naast de akkers al beroofd van hun schat, nederig wegduikend als in besef van hun minderwaardigheid.

Hier en daar stond het graan in garven opgezet te drogen, lijk een trophee, geplant in een vermeesterd gewest.

Stil lagen de velden en verlaten onder de hoge, blauwe hemel, waarvan de sterren gingen glimmeren .'t Werkvolk had sedert lang z'n verwoesting gestaakt, was zingende in groepen afgetrokken naar daar ginder, waar aan de rand van de velden hun woonsten hurkten tussen forse plokken geboomte, die machtigmassief aan de hemel raakten. Daar zouden ze gaan rusten, krachten verzamend voor de dag van morgen.

Nog een was er achter gebleven, nog een werkte onbedwongen voort, als zou de zon geen nieuwe dagen geven.

Met krachtige zwaai sloeg hij z'n sikkel door de halmen, dat ze ruizend vielen voor z'n voet — een pasje — en weer sloeg hij — Zo ging hij heel z'n akker langs.

Dan stak hij het geduchte mes in de broekband, bukte zich en bond de neergevelde halmen samen, plantte garf naast garf in puntige bouwsels op het vrijgekomen land.

Weer aan 't einde van z'n veld gekomen, scheen ook hij voldaan te zijn van werk. Met een zucht rechtte hij zich en overzag de

Sluiten