Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

456

NAAR ANDERE LANDEN.

zijn huis en daar werkt zijn vrouw af en aan en als hij straks naar huis gaat zal zij ophouden van haar werk en even wat zeggen en het zal alles heel anders, veel lichter en fijner en voller zijn dan wanneer hij met de anderen mee opgetrokken was. Hij heeft dingen gedaan in zijn leven, in de oorlog en in vredestijd, in zijn famielieleven en in zijn houding tegenover anderen, die zo mooi waren dat als hij er sterk aan denkt hij van blijde verrukking ontroert, en die blijdschap is altijd half wakend bij hem en omgeeft alles waarnaar hij ziet of luistert.

Nee, het is goed om geen lafaard te zijn.

Hij ploegt nog enigen tijd en spant dan uit en gaat naar huis. Zijn vrouw doet met bezorgd gelaat haar werk. „Er is een brief van oom Nicolaas", zegt zij als hij in de kamer is.

„Wat zeg hij?" vraagt hij.

„Ik het hom nie opengemaak," zegt zij, „ik was bang." „Bang?"

„Ja, ik weet nie waarom nie, maar ik is bang voor daar-die brief."

Hij ziet haar verwonderd aan, maar zegt niets meer en maakt den brief open. Zij ziet angstig naar zijn gelaat. Visage wordt zeer bleek en leest den gehelen brief, dan zegt hij woest. „Wat mankeer die ou-vuilnis, is hij mal."

„Wat?" vraagt zijn vrouw verschrikt, „wat schrijf hij.

„Hij schrijf ik moet trek", zegt hij en stoot haar den brief toe.

Er stormt een vreeselike woede in hem. Hevig gevoelt hij nu dat hij arm is, dat hij afhangt van de rijken, dat die hem nog armer kunnen maken, hem brengen in diepe ellendigheid. Daar die rijke vent, die Nicolaas Viljoen wat hem op zijn plaats laat kom het, hem gehelp het, nou het hem goed gaat nou jaag hij hem weg als een hond. Nou moet hij weer gaan zoeken. Hij voelt, dat hij nu zou kunnen schieten. Als die beroerde arbeiders maar flinker waren geweest, meer gelijk en een revolusie hadden gemaakt dan ging hij nu ook bij hen en zou vechten tegen de rijken en hen doodschieten met plezier.

„Ik was bang daarvoor," zei zijn vrouw, „hij is een Bothaman en nou hij zien, dat jij voor die arbeiders is nou moet jij trek."

„Maar denk hij dan dat ik hem zal vraag, wat ik doen moet," vroeg hij woest.

Sluiten