Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

460

NAAR ANDERE LANDEN.

het onaangename van het ogenblik en dit getemperde licht kwam zo heel goed bij zijn rustige beschouwen.

De vrouw van Viljoen bracht tee. Zij bracht ook koek.

„Nee dankie," zei hij. Hij slurpte zijn tee en nog altijd zei hij niets en de beide anderen spraken tot hem ook niet. Maar na een poos stond hij op en groette Bredenbach. „Mag ik oom zo'n ogenblik zien," vroeg hij Viljoen. Zij gingen samen naar buiten. Toen vroeg Visage hem of hij moest trekken, om welke reden dan eigenlik. „Ik wil nie een arbeidersman op mijn grond hè nie," antwoordde Viljoen, „een die een dag zal help om mij mijn gronden te onteigen, hem wil ik geen vriendschap mee voer."

„Oom verstaat die dinge nie helemaal goed nie," zei Visage.

„Ik verstaat die dinge bajje, bajje goed. Ik weet ook dat jij een arbeidersman is zoals geen ander nie; kijk allegaar het gegaan, toen die regering die mensen geroep het, maar jij het bij die huis geblij, en was dit nou van bangigheid, maar ik weet dit is nie lafhartigheid nie, want ik ken jou van uit die oorlog, en ik weet het is, omdat jij met die arbeiders simpatiezeer."

„Ja, oom, dit is rech, ik simpatiezeer ook met die arbeiders, maar moet dit nou een reden wees dat ik trek. Al kan ons in polietieke dinge nie saam gaan nie dan kan ons toch wel in andere dingen saamwerk.

„Nee," antwoordde Viljoen, „als ons nie in die dinge kan saamgaan nie, dan wil ik maar lievers helemaal van mekaar."

Visage antwoordde niet. Hij was zonder enige angst of verontwaardiging. Hij praatte met Viljoen alsof het over dingen was van weinig belang. Of Viljoen nou terug zou komen op zijn besluit, het was hem bijna onverschillig.

„Nou ja, zei hij, „dan wil ik maar loop."

Hij groette en ging bedaard den terugweg.

„Ah wat!" zei hij bijna luchthartig, „ik zal zonder hom klaar kom."

Er was grote droogte in Zuid-Afrika. Het was al enige zomers achtereen dat het bijna niet regende. De fonteinen droogden op en de mensen die koren zaaiden met water van de fonteinen konden bijna geen koren meer zaaien, zij zaaiden alleen mielies. Zij die zaaiden bij de rivieren zaaiden minder en minder, de rivieren

Sluiten