Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARAVANSERAI.

— „Vanavond Ze zei: „Goed, baïk!" ze trekt er

zich geen spier van aan Ze knoeide allang met Calichot

Wist ik ook wel 't Ging zoo ook niet je wordt misselijk

van jezelf. Ik ga aan 't werk. Als je hier niet werkt, ga je kapot Wat zeg jij?"

— „Dat geloof ik ook."

— „Wel te rusten "

— „Insgelijks."

Theo ging weer heen. Boven aan de trap riep hij: — „Heb je 't zuiderkruis gezien?"

— „Zooèven."

— „Mooi, he?"

— „Prachtig."

— „Slamat tidoer!"

— „Insgelijks."

Van Arkel nam zijn boek weer op, maar van lezen kwam niet meer; hij keek over zijn boek naar den helderen sterrenhemel in den stillen nacht — tegen den witten muur kroop een tokek •) die zoo nu en dan zijn korten naam in gerekt keelgeluid riep.

Den volgenden dag was het zondag; den avond van dien dag wilde van Arkel gaan doorbrengen bij Both: Adolfien zou 's morgens met haar vader terugkomen. Hun komst was een beetje vertraagd. Doch tegen een uur of elf kwam er een boodschap, dat Both zich onwel gevoelde; hij moest zijn kamer houden, bovendien was de komst van Adolfien weer verschoven tot Woensdag. Dan werd van Arkel natuurlijk verwacht, want dan was Both jarig, — hij moest dan 's Woensdags-middags vroeg komen — zoo tegen vijf uur.

's Woensdagsmiddags tegen een uur of drie echter werd hij door Ngassioh gewekt: „en was een soerat-mati2) gekomen," en een boodschap van njonja Both, dat „toewan" overleden was. Hij zou 's middags te half vijf begraven worden. Op zijn 67sten verjaardag was hij gestorven.

Hevige schrik verdooft alle pijn; eerst zoodra de adem weer gaat en de oogen weer zien, sluipt het leed aan. Van Arkel stond een moment wezenloos; dan zei hij heesch tot Ngassioh: „Haal een

') Groote hagedis. Kameleon. ") Rouwbrief.

Sluiten