Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

Jan dribbelt en springt naast hem, nu eens rechts dan links en tracht niet meer hem te weerhouden. Vader doet het immers toch? Hij wuift hem vroolijk goedendag, als hij hem het billet naar Monte Carlo ziet nemen en terug gaat, om een praatje te maken met den chauffeur van een bizonder mooien auto, die op het plein wacht. Jan toont zooveel belangstelling, dat de chauffeur hem de machine laat zien en uitlegt. Hij is zoo oplettend, zoo vlug van begrip en onthoudt zoo goed, dat men er altijd pleizier in heeft hem wat te leeren.

„Bonjour," zegt de jonge meester in 't eind, „er komt niemand goed genoeg voor mijn auto, ik ga maar weer eens terug, je kunt wel een eind mee rijden als je wilt?"

„Alsjeblieft," zegt Jan inspringend en hij vliegt de Bue de la Gare af, links in zwenkend voor hij het weet.

„Zal ik je meenemen tot de grens of is je dat te ver?"

„Neen, juist heerlijk, dan ga ik den toren op, misschien wel naar de Belenda."

„Met wien."

„Alleen."

„Dat moet je niet doen." „Waarom niet."

„Wel, dat is gevaarlijk," zegt de chauffeur terwijl hij eigenlijk bedoelt, daar ben je nog te klein voor, „en bovendien wat heb je er aan?

„Wat ik er aan heb? Wel, als je op een hoogen berg staat krijg je een gevoel of je zou gaan vliegen, als er naast je niet altijd een nog hoogeren top op dook. Ik vind het heerlijk om zoo ver over alles heen te zien, vooral langs de kust, waar de blauwe draak telkens happen bijt uit het groene land."

De chauffeur kijkt even verbaasd naar het vreemde kind tot hij de vroolijke oogen ziet fonkelen in het zachte, kerngezonde gezicht en dan lachen de groote en de kleine jongen even hard.

„Wat voor een landsman ben je?" vraagt de oudste.

„Hollander, ik heet Jan, en jij?"

„Alfredo Montei, ik kom van ginds," den italiaanschen kant opwijzend, „je spreekt keurig Pransch, dat moet ik zeggen, maar je bent zeker geen bergen gewend hé?"

„Neen, 't is alles vlak land bij ons. Bij Nice is een plekje dat ze

Sluiten