Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

niemand meer. Hij wandelde op steenen en mos. Hij steeg en steeg, recht naar de zon, die brandde.

Wanneer zou hij eindelijk het hoogste punt bereikt hebben, wanneer zou hij de zee weer zien? ,

Zijn voet gleed even. Het was over een ijsplek en iets lager in een spleet, daar lag de witste, ongereptste sneeuw. Hij stopte er zijn mond vol van. Hoe heerlijk frisch! Zou hij toch op de Belenda zijn? Hij was verder gegaan dan bij bedoeld had, veel verder. Hij zou te laat komen voor lunch. Dat was niet erg, hij daalde al, hij sprong, het ging zoo snel naar omlaag. Hij kwam weer in 't boscb, hij vond weer breedere, meer beloopen paden, bij zag weer sporen van menschen, een huis, een stapel hakhout, den indruk van een gespijkerden schoen. Hij daalde en eensklaps kwam hij aan een plek die hem vol verbazing deed stil staan.

Het was aan den rand van een steile kloof, omringd door kale, blauw-grijze steen, somber, vol schaduw, slechts met een smalle opening glooiend naar den kant der zee. En in die grauwe diepte glansde een veld van zilverwitte anjelieren, onwerkelijk groot, onwerkelijk blank. Hoe kwamen ze hier?

Door de natuur? of werden ze gekweekt? Het schenen geen levende bloemen, ze geurden niet, ze trilden niet in den wind. Ze vingen geen zon op.

Ze waren kleurloos in hun smettelooze reinheid, het waren bloemen als om op graven te leggen en 't werd Jan alsof hij een lijkenlucht rook die hem beklemde Hier, in het heerlijke land, had het hem toegeschenen dat niemand sterven kon. Hij had hier ook nooit een begrafenisstoet gezien. Hij ging langzaam verder, het voetpad om de kloof voerde hem dalend op een breeden weg. Daar zag hij een hek. Was daar een tuin? een villa in het groen verborgen?

|Hij kwam dichter bij en toen ontdekte hij de steenen en kunstloóze monumenten van het kleine kerkhof van Mortola.

Op een bank bleef hij zitten even boven den weg van Ventimiglia, die eenzaam, zonnig zich ontrolde voor zijn oog. Hoe stoffig alles, als verdroogd de boomen en verschroeid het gras.

Hij kreeg een gevoel of iets van hem werd weggenomen, alsof hij het einde aller dingen zag, van al het schoon dat hij zoo lief had.

Sluiten