Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

bij weer door, boog het hoofd en liet de handen rusten.

Die dagen waren eindeloze kwellingen. Ging de avend vallen, dan hield hij het niet langer uit. 't Was of dan z'n triestheid dubbel woog, of z'n denken pijnender werd, schroeiender.

De eenzaamheid folterde hem, dreef hem uit. Hij moest mensen zien, horen, spreken. Hij ging de buurt op, nu eens naar de een, dan naar de ander, een enkel maal wel naar Dijkhof of Hermans. Dan dronk hij een paar druppelkes en voelde zich machtig opgefleurd.

' November striemde de regen neer, maakte de velden soppig, de wegen tot modderpoelen. De wind bleef westelik en voerde telkens nieuwe regenwolken aan. Hij holler de over de velden, stroopte de laatste bladeren van boom en struiken, en wierp ze in het vuil, als een baldadige jongen 't speelgoed van 't beroofde kind.

's Nachts trok hij feller op, gierde en floot door de donkere wereld, greep de bomen, dat ze bogen, rengelde aan de vensterluiken van de mensenwoonsten, die nederig neerlagen als gebogen onder z'n overmachtige vuist. Hij bulderde in de schoorstenen, rukte aan het dak, dat de binten kreunden, griste pannen weg, dreef gaten in de rietbedekking.

Op het kerkplein vierde hij z'n grootste triomfen, gierde, floot en joelde, rukte aan de oude muren van de kerk, aan de spitse torentop, als wilde hij alles neerhalen, alles slechten tot de grond.

Gert-Jan lag veel wakker en luisterde naar de wind. 't Was, voelde hij zich dan veel minder alleen. Hij had altijd van de wind gehouden, van kind af. Hij liep graag in de wind, liet zich dan voortdrijven of waagde, het hoofd gedoken, een worsteling. Al z'n spieren spanden zich, en hij kwam vooruit — de wind, de sterke wind vermocht niet hem, Gert-Jan Amse, tegen te houden. Hij was sterk, sterk. Een groot gevoel van kracbt ging in hem groeien en deed hem stil-zelfgenoegzaam zijn.

Nu, in de slapeloze nachten, was de wind hem tot vriend. Wondere gedachten doemden in bem op, gedachten, die nooit klaar werden en vreemde taf reien zag hij zich vertonen. Een behaaglik gevoel kwam hem bevangen, hij lag in toverban van de wind.

Sluiten