is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(D. L. 7 : 142) met Aristoteles de wereld onvergankelijk heeft genoemd, heeft ook (Cio. D. T. 1 : 32, 79) de 'Platonische' leer van de onsterflijkheid der ziel verworpen. Doch Orphisch bleven bij de anderen de zich herhalende wereldvervuring en wereldvernieuwing A, waaraan zij (D. L. 9:8) geloofden op het voetspoor zoo gezegd van Heraclitus, die misschien ook al in dien zin van 'verzadiging' en 'verarming' had gesproken2; „deze wereldorde," had Heraclitus beweerd, „dezelfde voor alle wezens, is door geen god en geen mensch gemaakt: die was altoos en is en zal zijn eeuwig levend vuur, op de maat ontbrandend en op de maat weer uitdoovend." (Clem. 'Meng.' 5 : 105.) Een Orphisch erfstuk was het eveneens, dat bij de Stoïcijnen (Lact. Inst. Div. 3 : 25) vrouwen en slaven mochten 'medephilosopheeren'. (Vgl. hier Chrysippus 254 Arnim, Musonius bij Stob. Flor. 4:220 M, Clem. Strom. 4 : 8, 62.) En het Epicurisme zelfs, de gangbare vrijdenkerij der latere oudheid, heeft aan de Orphische natuur zijne tol moeten betalen, toen het (D. L. 10 : 63) de ziel sterk op een pneuma liet gelijken, of ('De R. N.' 1 : 74) bij monde van Lucretius „de vlammende wallen der wereld" vermeldde; overigens heeft het (D. L. 10 : 134) nog beter gevonden, eene fabel over goden aan te hangen, dan verslaafd te zijn aan het noodlot der 'natuurkenners'.

Onder Orphischen invloed was ook het Homerische

') 'A.nctpou; fSopiii xbafiou xai 7raiiyy«»t<n'a; iwayoujtv Basil. Hexaëm. III. rtyvuSxi powtv KTTOXCtTCUTTCtv IV TOÜ Ttavris (vgl. Hand. 3 ! 21) OU* a7Taf «Ui TToXXttXti.

Nemesius 'de N. H.' 38. Kai pliv ci ys Taj ixitvpóiitis xai ras 7raAtyyeveaias EÏavjyoü/tevot TOÜ xbipou vo/ii^ovai xai b/ioXoyoüïi rou; ktté^as 5sous s'vai, ouj Tfii Xbya SmpSeipeiv

ovx èpu^ptSxTiv. Philo de Jood 'over de onvergankelijkheid der wereld' 4.

2) XpviT/j-Oiu-jYi xai xbpoi' Siaxbr/njan xai cxnipanf Hippol. IX, 10. (De gnosis: x^w/ta xai Tti-npujj.x.) Zie echter Plutarchus 'over het ophouden der orakels' 12, en vgl. Mare. Aur. 10:7.