Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

de Spanjaarden weer in de schansen ziet ?" liet van der Morsch hooren.

„Ei, hoort dien Jonker Morsch, den rederijker, eens aan! Zou men niet wanen den Weleerwaarden Petrus Cornelius te hooren ? Man, je hadt Hagepreeker, Dominee of Monnik, in plaats van Stadsbode en Kamernar moeten worden!"

„Ja, spot en lacht maar vrienden! Als het jaar één dag ouder is, zullen we elkander wel nader spreken," antwoordde de Rederijker, die juist van Dominee Cornelius kwam. Misschien zou hij nog wel meer gezegd hebben, zoo er op het oogenbjik onder de menigte niet eenige beweging ontstaan was. Die beweging gold niemand anders dan Cornelis Joppensz., die naar huis ging.

Nadat hij des morgens was thuis gekomen en gegeten had, was hij de stad ingegaan in de meening, dat er hier of daar wel wat te verdienen zou zijn.

Nog altijd denkend aan hetgeen hij in den vroegen morgen gehoord en gezien had, liep hij droomerig straat in straat uit, en kwam ten laatste op de Maredorps-Achtergracht bij het huis en de zeemtouwerij van Burgemeester Pieter Adriaensz.

Hij had reeds meermalen voor den Burgemeester boodschappen in de stad verricht, en hopende, dat er mogelijk nu weer wel wat zou te doen vallen, meende hij den winkel in te gaan, toen hij onverwachts bij zijn naam geroepen werd. Hij keek om en zag in het open en eerlijk gelaat van zijn vriend Gerrit, die naar hem toe kwam en zeide :

„Zoo Cornelis! Zie ik je weer eens ? Hoe komt het toch, dat je mij sedert een paar dagen geregeld uit den weg loopt ?"

„Omdat ik niets meer met je te doen wil hebben! Je bent geen goed vriend!" „Ik niet? Wat heb ik dan gedaan?"

„Wat je gedaan hebt? Vraag je dat nog? Heb je mij die ontmoeting op het eilandje te Alfen niet verzwegen, alsof ik een Spanjool of vriend van Pier Quaet-Gelaet was? Heb ik ooit iets voor jou verzwegen ?"

Sluiten