Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij krijgt hem, als je God blijft weerstaan," zei Halfvor.

„Zoo, dank je wel, Halfvor, nu weet ik hoe voordeelig 't voor me is tot jelui geloof over te gaan."

„Je weet wel, dat we 't zoo niet bedoelen," zei Karin.

„Ik begrijp jelui bedoeling best. Gertrud en de zagerij en mijn oud tehuis zijn voor me verloren als ik me niet bij jelui aansluit."

In gmar ging snel de kamer uit. Hij kon daar niet langer blijven.

Toen hij buiten op de plaats kwam, dacht hij opnieuw: ,,'t Is maar 't beste er een eind aan te maken, 't Is 't beste, dat ik precies weet, waaraan ik mij te houden heb." Hij ging met groote stappen den weg op naar de schoolmeesterswoning.

Toen Ingmar het hek naar den tuin van de school opendeed, viel er een licht buitje, een zachte, malsche lenteregen. In den mooien tuin begon alles te knoppen en uit te loopen. 't Gras werd zoo snel groen, dat 't bijna was alsof men het zag groeien. Gertrud stond op de stoep en keek naar den lenteregen, en twee groote meidoorns, die vol jonge blaadjes waren, strekten hun takken uit boven haar hoofd.

Ine mar bleef stil staan, verbaasd, dat hier alles zoo mooi en vredig was. En plotseling werd hij kalm na de opwinding, waarin hij zoo pas nog verkeerde. Gertrud had hem nog niet gezien. Hy sloot zacht het hek en ging naar haar toe.

Maar toen Ingmar naderbij kwam, bleef hy nog eens staan en zag Gertrud verbaasd aan. Toen hij van haar wegging, was ze niet veel meer dan een kind, maar in dat eene jaar, dat hy haar niet gezien had, was ze een fier, slank jong meisje geworden. Gertrud was nu lang en teer en geheel volwassen, 't hoofd rustte zoo mooi op den fijnen hals, haar tint was donzig wit en ging zacht over in frisch rood op de wangen. De oogen waren diep en vol verlangen geworden, en de geheele uitdrukking van haar gezicht was van speelschheid en vroolijkheid tot ernst en zachten weemoed overgegaan. Toen Ingmar Gertrud zoo zag, voelde hy hoe zijn hart vol werd van een groot gevoel van geluk; 't werd zóó stil en plechtig in hem, alsof 't een heiligedag was. Wat hij voelde was zoo heerlijk, dat hij wel op de knieën had willen vdllen en God danken.

Maar toen Gertrud Ingmar zag, kwam er plotseling een stroefheid over haar trekken, en haar wenkbrauwen trokken zich samen, zoodat er een rimpeltje tusschen de oogen kwam.

Ingmars gedachten gingen dien dag sneller dan gewoonlijk. Hij zag aanstonds, dat Gertrud het niet prettig vond, dat hy kwam, en het trof hem in 't hart als een scherpe bijlslag. „Zy willen haar van je wegnemen," dacht hij. „Ze hebben haar al van je weggenomen."

De vrede van den heiligendag was weg, en de vroegere opwin-

107

Sluiten