Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen die twee. De kachel is .... De lamp is .... Het werk is .... Hij is

(dood) (op twee manieren). Hij is (bij 't spelen). Ik ben b met

m'n werk. 't Jaslint is door. De zweer is d Het uur is De tweede

kamer is ... De zon is o... Het lekkers is allemaal... De pijn is De deur

is ... Moeder is ... De pret is... De klok is... (op twee of drie manieren). Het boek is ... Merk op dat hier overal: niet de handeling zelf, maar het bereikte resultaat van een handeling bedoeld wordt 2° De bijwoorden komen natuurhjk nog veel meer als praedicaat voor. Geef zelf eens wat voorbeelden. Alleen is het opmerkelijk dat zoowel praeposities als bijwoorden, juist omdat zoo'n resultaat meestal blijvend is, nu ook als attribuut gaan gebruikt en verbogen worden: Hij kwam voor een toeë deur. Een toe huis. De uite kachel. De ane kachel. Als de nabye son versocht den heten leeuw(Hooft). De boomen dorren in het laat seizoen — En wachten roerloos den nabijen winter (Kloos). Veraffe geluiden (Couperus). De schaduw des nabijen doods (van Eeden). Een na verwant. De voorhene gebeurtenissen. Een totaal oppe man. Zijn bezige geest (Kloos). Die even onbeweeglijkheid (van Deyssel).

24. Opneming der Ziea we dus' dat zoowel de uitroepjes voor toebepalingen in den standsgevoelens als die voor overgangsgevoelens: in enkelvoudigen zin allerlei verbindingen een min of meer verstandelijke konstateeringsbeteekenis hebben gekregen. Het belang hiervan voor Keesjes zinsontwikkeling kunnen we echter pas beseffen, als wij nu gaan zien, hoe deze nieuwe constructies als bepaling ter uitbreiding van onderwerp, gezegde en voorwerp beginnen dienst te doen, en zich als zoodanig in het vroegere schema van den enkelvoudigen zin gaan vastzetten. Om aanstonds dit heele proces met een volledig stel voorbeelden te illustreeren, zullen we hier ook al eenige zinnetjes uit Keesjes derde levensjaar moeten aanhalen. Over weer andere nieuwere verschijnselen hierin, die we pas in de volgende hoofdstukken zullen bespreken, glippen we dan echter stilzwijgend heen.

7_ n,. .... Op de eerste plaats dan kan nu het onderwerp aangebepaSgenSn! vuld worden met een bijvoegelijke bepaling van goed derwerp, gezeg- of afkeurm9- Datsat stout» hond/3 (Daar is het stoute de en voorwerp. nono,je). Daar is die boerda tem weer (Daar is die beroerde tram weer). Daar is hier gezegde. Maar ook de overgangswoordjes leidden, gelijk we zagen, reeds tot een bijvoegelijke bepaling, die nu eveneens het onderwerp kan .aanvullen. Da is anna tem (Daar is een andere tram). [Over het hier voor het eerst opduikend koppelwoordje is zullen we weldra nader spreken in nr. 31]. Maar ook het naamwoordelijk gezegde neerrlt zulke bepalingen op. Eerst in het primitieve zinstype zonder werkwoord: Tem anna kat (Een tram, die komt van den anderen kant). Maar later ook vooral, als de koppelwoordjes ben en is ook hier meer en meer binnendringen: Keesja is a bafa jonga (Keesje

101

Sluiten