Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7i

eenvoudig Romeinsch burger is. En toch is dit niet het geval. In werkelijkheid werd het bewoond door een rijke familie, die het interieur met kunstwerken en schilderingen van allerlei aard versierd had. Als er dus geen gevelversiering aan de Romeinsche huizen te vinden was, dan lag de reden niet daarin, dat men deze niet maken kon, maar dat men er geen verlangde.

Een kenmerkende eigenschap van het oud-Romeinsche huis is de volledige afsluiting van buiten, die zoover gaat, dat men zelfs'bijna geen vensters had. Hoe kregen de kamers dan lucht en licht? Men opent ze binnen de woning met de deur naar het maar half gedekte atrium en naar den met zuilen omringden tuin (peristylium). Daar de zuidelijke volkeren niet veel last hebben van koude, bleven de deuren gedurende het grootste deel van het jaar geopend en konden de kamers, die op het peristyl uitkwamen, genoeg gelucht worden. Het huis der Romeinen verschilde dus in menig opzicht van onze moderne woningen, maar toch was het zeer practisch en geriefelijk ingericht.

Men komt van de straat binnen door de op de plaat zichtbare deur (op den platten grond met B aangegeven) en gaat eerst door een voorportaal a (vestibulum), aan welks einde de huisdeur ligt en een gang b (fauces). Deze voert ons naar het atrium (c), waaraan twee open plaatsen aansluiten (a 1 a e, h, t). Het atrium was de voornaamste plaats van het Italische huis, waar de huisgenooten woonden, sliepen en aten. Toen men in lateren tijd het peristyl er bij bouwde, werd het atrium meer ah ontvangkamer gebruikt. Achter het atrium lag het onder Griekschen invloed ontstane peristylium, een zuilenhal (/), die een tuin omgeeft -(m), rondom liggen de kamers n, o, p, q, r. Ons huis had nog een tweede atrium (i>), waar het heiligdom der beschermgoden was, en een tweede peristylium (s). N, p, t zijn eetkamers, n een slaapkamer, w de keuken, x de kamer van den kok. In de meeste huizen vinden wij nog tusschen atrium en peristylium, het tablinum, een open plaats, waar met} zich in de frissche lucht bevond.

§ 5. De eerste Verschijnselen van Achteruitgang.

Reeds gedurende den derden Macedonischen oorlog was gebleken, dat de senaat niet meer als vroeger op zijn veldheeren rekenen,kj9fi; vóór Aemüius Paulus waren er uitgezonden, die beter hun eigen belangen wisten te behartigen, dan de zaak van den staat. In veel erger mate kwam dit euvel aan het licht bij de expedities tegen Spanje, Carthago en Corinthe.

Spanje was in 201 wel aan Rome afgestaan door Carthago, maar nog lang niet onderworpen. De Iberiërs en Lusitaniërs hielden hun verzet tegen de indringende overheerschers met succes vol. De uit-