Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

der Nieuwe-Merwede werken af wilde wachten, alvorens verdere stappen te doen, om Noord-Brabant te verlossen uit den onhoudbaren toestand, waarin dit gewest sinds eeuwen verkeerde, indien de denkbeelden, door den Hoofdingenieur H. F. Fijne in 1849 over de Nieuwe Merwede verkondigd1), algemeene instemming hadden gevonden. Aangezien verschillende ontwerpen, na dien tijd verschenen, en ook het rapport van de Inspecteurs van 1861 daar echter tegenover stonden, en de Regeering toch werkeloos bleef, kan men niet spreken van een goede behartiging van de Noord-Brabantsche belangen.

Ook de groote overstrooming van 1855 vóór de dichting van het Schansche Gat en de zeer hooge win terstanden na de dichting waren nog niet voldoende. Helaas moesten nog groote doorbraken, gevolgd door ontzettende overstroomingen, komen, om de Regeering tot de overtuiging te brengen, dat er dringende behoefte was aan een spoedige, afdoende verbetering.

Ondanks de reeds in 1868 aangegeven daling van de rivierstanden bij Grave 2) en het feit, dat de gemiddelde tienjaarlijksche cijfers na 1850 steeds een lageren waterstand aldaar aangeven van 0.14, 0.27 en 0.23 M. 3), bleek de waterafvoer van de Maas des winters nog hoogst gebrekkig, en volgden zeer groote overstroomingen elkaar in snel tempo op.

Deze rampen en watersnooden, die een groot deel van NoordBrabant troffen, waren alleen een gevolg van de samenvloeiing van de Waal en de Maas *). Nog steeds bleef de Maas door de Heerenwaardensche overlaten de nadeelige werking van de Waal gevoelen.

In Maart 1855 brak, nadat een groote massa water en ijs uit de Waal bij Heerenwaarden op de Maas was gestort, ten gevolge van een ijsstopping, de Maasdijk bij Lith door, waardoor o.a. 35 huizen instortten en 7 menschen het leven verloren. Eveneens ten gevolge van een ijsstopping ontstond een dag later te Alem een doorbraak van 120 M. lang en 8.30 M. tot 16.30 M. onder dijkskruin diep 5).

l) Zie bldz. 71.

') Zie bldz. 73.

9)1 J. G. W. Fijnje: Beschouwingen over eenige Rivieren, alsv.

Deel III bldz. 869.

*) E. v. Konijnenburg: Scheiding Maas en Waal, alsv. bldz. 24.

a) Bijlage 5. Rapport Inspecteurs van den Waterstaat van 1861,

alsv. bldz. 32.

Sluiten