is toegevoegd aan uw favorieten.

Phaenomenologie van het christelijk bewustzijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijzing naar „verleiding" en „aanklacht", mede verband met een geestes- of wezensgesteldheid van den empirischen mensch. "*) Joh. 4:34; Art. I der „Confessio Belgica". m) Openb. 13 : 16 enz. Allerlei mythologische vormen als sirene, sater, centaur, sfinx, ook de gewoonte om menschenzonden en gebreken (ook wel goede eigenschappen) met dierennamen te noemen, wijzen wezenlijk op den voorgestelden eisch, als boven aangeduid. Het is dan ook niet bovenal de vraag, of de mensch van den aap is „afgestamd" maar of hij den aap reeds „afgestorven" is! 116) ICor. 15 : 47 e.a. "•) II Tim. 1:12. "') I Joh. 1: i.

118) Men heeft hier wel eens bezwaar gemaakt tegen den term „ideaal". Wij bedoelen daarmede allerminst een menschelijk tasten maar een Goddelijk voor-, uit- en afbeelden zooals het Beeld Gods wezenlijk is en verwerkelijkt wordt (Gen. 1 : 26 v.; Hebr. 1 : 3; II Cor. 3 : 18). De oude mystiek spreekt van het eeuwig voorbeeldelijk Menschwezen in den Zoon Gods. "•) Ef. 4 : 10 enz.

Ef. 1 :10, 2 : 14; Matth. 27 : 51; Hebr. 6 : 19, 9 : 24 enz. De Christusverschijning heeft dus niet slechts openbaringsbeteekenis ter verheldering van het menschelijk bewustzijn aangaande Gods Wezen en Werken en Spreken (Joh. 1 : 18) maar ook als zondelooze en vlekkelooze Heihgheidsverschijning, die God en mensch „borg" staat, dat het ideaal, dat God met den mensch aandurft, niet ijdel is. Van Hegelsche zijde wordt vaak inzake de Christusverschijning meer op het openbaringskarakter in deze verschijning gewezen; van de zijde dergenen, die bijzonderlijk den nadruk leggen op het verzoeningsfeit, wordt in historischen zin de wezenlijke, ethisch-religieuse werkelijkheidseisch bedoeld, die het concrete ideaal in de Christusverschijning aan den dag ziet getreden, waar God den mensch met zich zelf verzoent en omgekeerd (II Cor. 5 : 19 v.). In het eerste geval merkt men hoofdzakelijk op de intellectueele bewustmaking, in het tweede geval op de ethische-religieuse (natuurlijk niet als partijnaam bedoeld!) rechtvaardig- en heiligmaking. Deze twee staan allerminst onverzoenlijk tegenover elkander (men vergelijke o.a. Georg Lasson's „Einleitung" tot Hegel's „Religionsphilosophie"